|
Tijdsrekening is nauw verbonden met de stand van de sterrenhemel. De
duur van een dag (en dus ook van onze afgeleide tijdseenheden week, uur,
minuut en seconde) wordt rechtstreeks bepaald door de
dagelijkse beweging van de sterrenhemel.
Het jaar (en dus ook de maand en de eeuw) wordt bepaald door de
jaarlijkse beweging.
Het zal dan ook niet
verwonderen dat we eerst een aantal sterrenkundig getinte tijdssystemen
introduceren: de sterrentijd, de ware zonnetijd, de middelbare zonnetijd
en de plaatselijke tijd. Daarna definiëren we
de meer praktisch gerichte universele tijd, zonetijd en zomertijd. We sluiten af met een reeks
tijden die rekening houden met correcties die nodig zijn om onregelmatigheden in de aardrotatie op te vangen: de efemeridetijd, atoomtijd, terrestrische tijd en gecoördineerde universele tijd.
Sterrentijd
De sterrentijd is de uurhoek van het
lentepunt. Gezien het lentepunt zo goed
als vast
verbonden is met de sterrenhemel, geeft de sterrentijd
dus de stand van de sterrenhemel aan. Zo zal, als het sterrentijd 6h is,
het sterrenbeeld Orion in het zuiden staan, omdat de rechte klimming
van Orion 6h is.
Een sterrendag duurt 23h56m04s, uitgedrukt in normale uren. Dat wil
zeggen dat de sterrenhemel na een tijdsverloop van 23h56m04s exact terug
in dezelfde stand staat.
Ware zonnetijd
De ware zonnetijd is de uurhoek van
de zon. In de praktijk wordt hier 12h bij opgeteld. Om 12h
ware zonnetijd staat de zon dus pal in het zuiden, en een zonnedag later
(24h) is dit weer het geval.
We voegen hier het adjectief "ware" toe om te benadrukken dat deze
tijdmeting gebaseerd is op de ware zon, zoals we ze zien, omdat hierna
definities van zonnetijd zullen volgen die gebaseerd zijn op een
fictieve zon.
Ware zonnetijd kan -overdag en bij helder weer- gemeten worden met
behulp van een zonnewijzer. Om een zonnewijzer te construeren waarvan de
uurlijnen gelijkmatig verdeeld zijn, moet men de wijzerplaat evenwijdig
met de hemelevenaar plaatsen: men moet immers de uurhoek van de ware zon
meten!
|
Het verschil tussen sterrentijd en zonnetijd
|
|
|
|
|
|
Middelbare zonnetijd
De ware zonnetijd is niet praktisch
bruikbaar, omdat die om twee redenen ongelijkmatig verloopt.
-
De aardbaan is ongeveer maar niet precies cirkelvormig. Volgens de
eerste wet van Kepler is de aardbaan een ellips met
de zon in een der brandpunten. De aarde staat in haar perihelium
(dichtste punt bij de zon) begin januari en in haar aphelium (verste
punt van de zon) begin juli. Volgens de
tweede wet van Kepler beweegt
de aarde sneller rond de zon in de buurt van haar perihelium dan in de
buurt van haar aphelium.
Als we dit vertalen vanuit het standpunt van de waarnemer, zien we de
zon begin januari dus meer achterlopen ten opzichte van de sterren dan
begin juli. Een zonnedag zal begin januari dus langer duren dan begin
juli.
De zon legt niet elke dag dezelfde afstand af in rechte
klimming.
Als we corrigeren voor de hierboven beschreven gevolgen van de ellipsvorm van de
aardbaan, beweegt de zon gelijkmatig over de ecliptica. Die vormt echter een hoek met
de hemelequator (23.5°), waardoor de zon niet elke dag dezelfde afstand aflegt
in rechte klimming. Nochtans is het de rechte klimming van de zon die
bepaalt wanneer deze door de zuidelijke meridiaan trekt, en wanneer het
dus middag is.
Om voor deze effecten te corrigeren vervangen we de ware zon door een
fictieve zon
die zich eenparig langs de hemelevenaar voortbeweegt. Deze fictieve zon
noemen we de middelbare zon.
De middelbare zonnetijd is de tijd gedefinieerd door deze
middelbare zon.
|
De tijdsvereffening en het analemma van de zon
|
|
|
De tijdsvereffening is per definitie het verschil tussen de ware
zonnetijd en de middelbare zonnetijd.
De grafiek hierboven toont de tijdsvereffening doorheen het jaar.
De blauwe
grafiek toon het effect van de helling van de ecliptica ten opzichte van de hemelevenaar. De
begintijdstippen van lente, zomer,
herfst en winter zijn aangeduid.
De rode grafiek geeft het effect weer van de
ellipticiteit van de aardbaan. De punten van
perihelium- respectievelijk apheliumdoorgang van de aarde zijn
aangeduid.
Tenslotte toont de groene grafiek de totale tijdsvereffening, die
de som is van de twee vorige grafieken. De tijdsvereffening is gelijk
aan nul op 16 april, 14 juni, 1 september en 25 december. De vier
tijdstippen waarop de tijdsvereffening een (lokaal) maximum of minimum
bereikt zijn aangegeven op de grafiek zelf.
Voor het maken van bovenstaande foto plaatste de fotograaf zijn
fototoestel op een statief en belichtte hij gedurende een gans jaar,
om de 8 dagen exact op hetzelfde uur, heel even de
fotografische film, waardoor de positie van de zon werd vastgelegd.
De "8"
die hierbij gevormd wordt, noemen we het analemma van de zon,
of de tijdsvereffeningslus. De
hoogte van de "8" vindt zijn oorsprong in de
verandering in declinatie van
de zon in haar baan over de ecliptica, de breedte ervan is het gevolg
van de tijdsvereffening.
|
|
|
|
Plaatselijke tijd en universele tijd
De tijden zoals hierboven gedefinieerd zijn plaatselijke tijden: ze
gelden enkel voor de geografische lengte van de waarnemer. De universele
tijd (UT) is per definitie de plaatselijke middelbare zonnetijd voor de
meridiaan van Greenwich in het Verenigd Koninkrijk. Deze tijdsaanduiding wordt ook wel Greenwich
Mean Time (GMT) genoemd.
Urania ligt ten oosten van Greenwich, dus op Urania trekt de zon eerder
door het zuiden dan in Greenwich. De plaatselijke middelbare zonnetijd
loopt er dus voor op die van Greenwich.
De exacte lengteligging van Urania is 4°28' OL.
Het verschil tussen de plaatselijke
middelbare zonnetijd van Urania en Greenwich bedraagt dus
24h × (4°28' / 360°) = 18 minuten. Als het in Greenwich 12h
plaatselijke tijd is, is het op Urania dus 12h18m plaatselijke tijd.
Zonetijd en zomertijd
Uit praktische overwegingen heeft men de wereld ingedeeld in een aantal
tijdzones. In principe zijn deze zones 15° breed in geografische
lengte; de eerste zone is gecentreerd rond de meridiaan van Greenwich.
Om praktische redenen past men de grenzen van tijdzones vaak aan aan
landsgrenzen of brengt men landen in naburige tijdzones onder. Enkele
landen of provincies hebben zelfs een afwijkende tijd die bijvoorbeeld
een half uur tussen twee tijdzones in ligt.
Strikt genomen zou België tot dezelfde tijdzone als
Greenwich (West-Europese tijd) moeten behoren. Om praktische redenen
heeft men België echter verhuisd naar de Midden-Europese tijdzone,
bepaald door de meridiaan van 15° OL. Zo kan bijna de ganse
Europese Unie op dezelfde tijd leven.
Vele landen, waaronder alle EU-landen, hebben wintertijd en
zomertijd. In de zomertijd wordt de klok een uur vooruit gezet, waardoor
wij dan eigenlijk Oost-Europese tijd aanhouden. Samengevat geldt voor
ons:
Wintertijd = UT + 1h
Zomertijd = UT + 2h
Efemeridetijd, atoomtijd, terrestrische tijd
De aardrotatie vertraagt, gemiddeld met
0.0017s per eeuw. Dit kan zeer weinig
lijken, maar hierdoor worden de tijdseenheden die
gedefinieerd zijn op basis van de
middelbare zon (dag, uur, minuut,
seconde), steeds langer!
Daardoor is de universele tijd niet geschikt voor bijvoorbeeld
baanberekeningen, zeker als die over een periode van verschillende
eeuwen gaan!
Om hieraan een oplossing te geven, werd de efemeridetijd (ET)
gedefinieerd, een gelijkmatig verlopende tijd, die met de UT samenviel
omstreeks 1900.
Ook voor fysische metingen is het van belang over een constante seconde
te beschikken: de SI-seconde werd gedefinieerd als de tijdsduur van
9 192 631 770 periodes van de elektromagnetische straling
overeenkomend met de overgang tussen twee hyperfijn-niveaus van de
grondtoestand van het atoom cesium-133. Bij de callibrering van de
SI-seconde werd er naar gestreefd deze te doen samenvallen met de
UT-seconde van 1900, met andere woorden, met de ET-seconde.
Het is verrassend op te merken dat een klok die op de SI-seconde loopt
door de aardrotatievertraging na een eeuw niet minder dan 62 seconden
voorloopt t.o.v. een klok
die loopt op de UT-seconde (waarvan de duur gekoppeld is aan de aardrotatie)!
In 1972 werd officieel de atoomtijd (TAI) ingevoerd, die werkelijk de
SI-seconde als eenheid gebruikt. De efemeridetijd werd in 1991 officieel
herdoopt tot
Terrestrial Time (TT) en werd aan de atoomtijd gelinkt
als TT=TAI+32.184s. Op de universele tijd is de
terrestrische tijd inmiddels al meer dan 64 seconden voorgelopen.
Merk op dat ET, TAI en TT totaal ontkoppeld zijn van de stand van de
zon, en aan een eigen ritme verdertikken.
Gecoördineerde universele tijd
De tijd die wij op onze horloges gebruiken, is (na herleiding tot de
juiste tijdzone en rekening houdend met wintertijd/zomertijd)
gecoördineerde universele tijd (UTC). Deze verschilt steeds een geheel
aantal seconden van de atoomtijd. Sinds 1 januari 1999 geldt
UTC=TAI+32s.
Eén van de eisen die men aan de gecoördineerde universele tijd stelt, is
dat die nooit meer dan 1 seconde mag afwijken van de gewone universele
tijd. Telkens het verschil tussen beide
0.9s overschrijdt, voert men daarom een
schrikkelseconde in. Dit gebeurt telkens op het einde van 30 juni of 31
december. Deze extra seconde heet 23h59m60s; pas 1 seconde later
is het 0h van de volgende dag!
Verwante links
- Analemma: Een site, volledige
gewijd aan het fenomeen van het analemma.
- Greenwich Mean Time: De
site van de sterrenwacht van Greenwich over tijdrekening.
- Is iets onduidelijk? Heb je een fout gevonden?
Mail ons!
|