| |
De Big Bang-theorie danken we in haar oorspronkelijke gedaante aan de
Belgische geestelijke en professor Georges Lemaître (1927).
Uit de vaststelling dat het
heelal uitdijt, stelde hij dat het ooit veel kleiner geweest moet zijn,
met een veel hogere dichtheid. Hij stelde dat het heelal bij haar
ontstaan een "oeratoom" moet zijn geweest, die ontplofte.
De theorie werd later verder verfijnd en aangevuld, ondermeer
met de inzichten uit Albert Einsteins algemene
relativiteitstheorie, en elementen uit de kwantummechanica en
deeltjesfysica. Ze werd ook gesteund door een reeks waarnemingen, zoals de
uitdijing van het heelal, de
kosmische achtergrondstraling, de
samenstelling van het heelal en
waarnemingen omtrent de leeftijd van het heelal.
De Big Bang-theorie in een notendop
Zo'n 13.7 miljard jaar geleden ontstond het heelal. In een
gigantische explosie verschenen eensklaps tijd, ruimte, massa,
straling,
krachten en natuurwetten.
In het begin was het heelal ontzettend heet
en was de dichtheid ervan enorm.
Daardoor was alles heel anders dan wat wij nu kennen:
de natuurkrachten waren onherkenbaar, en de verschillende vormen van
massa en straling gingen spontaan in mekaar over.
Naarmate het heelal echter groeide en afkoelde, kon dit alles zich
organiseren tot wat het nu is: de oernatuurkracht viel uiteen in de
gravitatiekracht, de sterke wisselwerking, de zwakke wisselwerking en de
elektromagnetische kracht. Uit de oersoep van deeltjes, energie en
straling ontstonden de elementaire deeltjes die we nu kennen: quarks,
elektronen, fotonen, neutrino's, ...
Naarmate het heelal verder afkoelde klitten de quarks samen
tot protonen en neutronen, die even later samengingen om atoomkernen te
vormen. Atomen ontstonden toen atoomkernen en vrije elektronen
samengingen. Die atomen liggen dan weer aan de basis van de sterren en
sterrenstelsels.
Hieronder wordt deze geschiedenis stap na stap uitgewerkt.
|
Misvattingen omtrent de Big Bang-theorie
|
|
|
Wanneer we ons de Big Bang proberen voor te stellen, speelt één ding ons
vaak parten: tijd en ruimte zijn samen met de Big Bang gevormd. Let dus
op het volgende:
- De Big Bang vond niet plaats als een ontploffing op een gegeven
punt in de ruimte. Het kan beter worden voorgesteld als het
"gelijktijdig" ontstaan van ruimte en tijd overal in het heelal.
Er is geen "centrum van uitdijing", geen plaats van waaruit het
heelal expandeert. Alle punten in het heelal verwijderen zich gewoon
van mekaar. Elk punt in het heelal kan beschouwd worden als "centrum
van uitdijing".
- Per definitie omvat het heelal alle ruimte en tijd die we kennen
(de volledige 4-dimensionale tijd-ruimte), en het Big Bang-model doet
daarom geen enkele uitspraak over wat er "buiten", "voor" of "na" het
heelal is (voor zover deze uitspraken zin hebben, aangezien ruimte en tijd
samen met het heelal ontstaan en verdwijnen). De Big Bang zegt dus
niets over de eventuele dimensies "waarin" ons heelal zou expanderen, of
over het bestaan van tijd buiten de periode tussen Big Bang en een
eventuele Big Crunch. In alle geval is het heelal volledig "afgesloten"
van deze eventuele "buitenwereld": we kunnen er geen informatie over
inwinnen, en hij kan geen invloed hebben op het heelal.
- Het valt buiten het bestek van de Big Bang-theorie te speculeren
wat aan de basis ligt van de Big Bang. De Big Bang-theorie doet in haar
huidige vormen slechts uitspraken over het heelal vanaf 10-43 seconden
na het ontstaan ervan. De huidige fysica is totaal niet in staat uitspraken te
doen over de natuurwetten die hiervoor heersten.
|
|
|
|
De Big Bang, stap na stap ...
0s tot 10-43s: beginfase van de Big Bang
Ruimte en tijd ontstaan, en in een ontzaglijk hete en dichte "oersoep"
ook alle bouwstenen die het heelal nu bevat. Onder welke vorm die
bouwstenen aanwezig zijn, kan de huidige fysica niet zeggen.
De natuurwetten en -krachten die we nu kennen, bestaan
ook nog niet. Ongetwijfeld gelden wel degelijk oernatuurwetten rond een
oernatuurkracht, en heeft de oersoep een bepaalde samenstelling, maar
met de huidige stand van de wetenschap kunnen we hier niets over zeggen.
Het prille heelal is al in volle expansie, en koelt hierbij af. De
komende stappen kunnen telkens gebeuren omdat het heelal ondertussen al
voldoende is afgekoeld om de beschreven fenomenen toe te laten.
10-43s tot 10-35s: het GUT-tijdperk
Men vermoedt dat
een eerste natuurkracht die we kennen, de zwaartekracht, na
10-43s
ontstaat uit de dan heersende oernatuurkracht. De andere natuurkrachten
(elektromagnetische, zwakke wisselwerking en sterke wisselwerking) zijn
nog verenigd in een enkele superkracht. Wat de eigenschappen van die
superkracht zijn, hoopt men te kunnen onderzoeken in het kader van de
Great Unified Theory (GUT), een natuurkundige theorie die het verband tussen
deze krachten wil onderzoeken.
In het heelal zijn ondertussen de bouwstenen van de materie en
antimaterie (quarks en leptonen) en straling aanwezig,
maar ze gaan
continu in mekaar over. Tijdens deze periode ontstaat wellicht een licht
overschot aan materie tegenover antimaterie, in de orde van ��n
miljardste deel. Deze veronderstelling is nodig om te verklaren dat er nu
materie aanwezig is in het heelal, en niet enkel straling. Er is echter
nog geen fysisch proces gekend dat materie boven antimaterie verkiest,
en dus aan de basis van dit verschijnsel zou kunnen liggen.
|
Elementaire deeltjes
|
|
|
De theorie van de elementaire deeltjes beschrijft de bouwstenen van de
materie en straling in het heelal. We geven een bondig overzicht van
welke deze bouwstenen zijn:
- Quarks:
in theorie bestaan er 6 soorten quarks, en 6
soorten antiquarks. De ons omringende materie is echter slechts
samengesteld uit 2 soorten quarks ("up" en "down"). Deze quarks klitten
in verschillende configuraties samen om hadronen te vormen. De
meest voorkomende hadronen zijn protonen en neutronen, die
samen atoomkernen kunnen vormen.
- Leptonen: ook hier hebben we 6 soorten leptonen, en 6 soorten
anti-leptonen. Weer komen slechts twee soorten veelvuldig voor: het
elektron, en het neutrino. Elektronen vormen samen met
atoomkernen de atomen, en zorgen tevens voor de chemische binding in
moleculen, en voor elektriciteit. Neutrino's zijn quasi massaloze
deeltjes die in grote hoeveelheden aanwezig zijn, maar slechts uiterst zelden
interageren met materie. Ze zijn daardoor bijna niet waar te nemen.
- Bosonen: dit zijn de dragers van natuurkrachten, en er
bestaat er eentje per natuurkracht. De meest gekende is het foton,
dat voor elektromagnetische krachten instaat, en zich bijvoorbeeld
manifesteert als licht.
|
|
|
|
Materie en antimaterie, annihilatie en paarvorming
|
|
|
Van de quarks en leptonen bestaat telkens een anti-deeltje. Dit is een
deeltje dat in alle opzichten gelijk is, behalve dat een reeks fysische
grootheden (met name lading en quantumgetallen) voor het anti-deeltje tegengesteld
zijn. Zo is bijvoorbeeld
het positron, het anti-deeltje van het elektron,
gelijkaardig aan het elektron, maar met een positieve elektrische
lading in plaats van een negatieve.
Als een deeltje haar anti-deeltje tegenkomt, verdwijnen ze beiden
volledig, en worden ze volledig omgezet in energie. Die energie gaat
verder door het leven onder de vorm van twee fotonen, zeg maar een lichtflits. Dit
proces noemen we annihilatie.
Anderzijds kan het voorkomen dat twee botsende fotonen zich
omzetten
in een deeltje en haar antideeltje: een elektron en positron, of een
quark en antiquark, bijvoorbeeld. Dit proces heet paarvorming.
|
|
|
|
10-35s tot 10-32s: het inflatie-tijdperk
Na 10-35s gebeurt een gelijkaardig fenomeen: de temperatuur van het
heelal bedraagt 1028 K, en de sterke wisselwerking
(een korte
afstandskracht die bijvoorbeeld protonen samenhoudt) maakt zich los uit
bovengenoemde superkracht, met de eigenschappen die we nu kennen.
Vanaf nu kunnen er geen nieuwe quark-antiquark paren meer onstaan.
Verdwijnen gaat wel: als een quark een antiquark tegenkomt, annihileren
ze tot een foton.
Men veronderstelt momenteel dat er zich rond deze periode een drastische
verandering voordoet: inflatie. In een luttele 10-32s
zou het
heelal vergroten met een factor 1025 à 1050! Deze merkwaardige stap in
de evolutie van het heelal is nodig om de waargenomen vlakheid en
homogeniteit van het heelal te verklaren. Inflatie maakt dat het
heelal veel groter wordt dan het waarneembare heelal
(zie kaderstuk). Delen van het
heelal die tot dan toe in contact en evenwicht waren, worden voor eeuwig
van mekaar gescheiden.
De aanleiding voor inflatie wordt gezocht in een
"fase-overgang" die het heelal ondergaan zou hebben ten gevolge van de
ontkoppeling van de sterke wisselwerking.
|
|
|
Opdat we iets in ons heelal zouden kunnen waarnemen, moeten we er elektromagnetische straling, zeg maar licht,
van kunnen ontvangen.
Het licht heeft echter een eindige snelheid: een kleine 300 000 km/s. Om een object dat op 1 000 lichtjaar
(9.5×1015km)
staat te zien, moeten we dus 1 000 jaar wachten op het licht. Als we vandaag naar dat object kijken, zien we het dus zoals het 1 000
jaar geleden was. Als we ver in het heelal kijken, kijken we dus ook in het verleden.
Het heelal is 13.7 miljard jaar oud. Licht kan dus nooit langer dan 13.7 miljard jaar onderweg zijn, en we kunnen dus
ook nooit verder kijken dan 13.7 miljard lichtjaar. De bol met een straal van 13.7 miljard lichtjaar rond onze aarde, noemen we het
waarneembare heelal. Dat is voor ons "het heelal", maar het echte heelal is veel groter dan dat. Iemand in een ver verwijderd
melkwegstelsel heeft trouwens een ietwat verschillend "waarneembaar heelal".
Als we miljarden lichtjaar ver kijken, zien we objecten zoals ze er slechts enkele miljarden jaar na de Big Bang uitzagen. Op die manier
kunnen we dus rechtstreeks waarnemen hoe het heelal er vroeger uitzag!
De grens van het waarneembare heelal noemen we de
waarnemingshorizon.
De kosmische achtergrondstraling is rechtstreeks afkomstig van de waarnemingshorizon, en is dus een rechtstreekse waarneming van een schil uit het heelal van 300 000 jaar oud!
|
|
|
|
10-10s tot 10-4s: het hadronen-tijdperk
Na 10-10s is het koel genoeg voor de zwakke wisselwerking (de kracht
verantwoordelijk voor radioactief verval) en de elektromagnetische
kracht (die elektriciteit, magnetisme en elektromagnetische straling
-zoals licht- beheerst) om zich te ontkoppelen, en vanaf dan gelden de
natuurwetten zoals wij ze nu kennen. Vanaf dit punt is de Big Bang geen
speculatie meer, maar wetenschap.
De quarks hebben niet meer voldoende energie om onafhankelijk door het leven te
gaan, en beginnen samen te klitten. Hierbij ontstaan hadronen (een
verzamelnaam voor protonen, antiprotonen, neutronen, antineutronen, ...).
10-4s tot 6s: het leptonen-tijdperk
10-4s na de Big Bang worden geen nieuwe hadronen meer gevormd,
en van de bestaande hadronen gaat het grootste deel op in straling, doordat ze
botsen met hun antideeltje. Een grote hoeveelheid fotonen wordt het
heelal ingestuurd. Op het einde van dit proces blijven hoofdzakelijk
nog protonen en neutronen over, materie dus, en dit dankzij het materie-overschot opgebouwd in het GUT-tijdperk. Elektronen en positronen kunnen
voorlopig nog wel vlot blijven ontstaan uit paarvorming, en uiteraard
annihileren als ze mekaar tegenkomen.
Vanaf zowat 1 seconde na de Big Bang interageren neutrino's nog maar amper
met de materie in het heelal, en ze gaan dus een onafhankelijk leven
leiden. Dit is het moment van
neutrino-ontkoppeling. Mochten we instrumenten hebben om de
neutrino-achtergrondstraling waar te nemen, dan zouden we dus rechtstreeks
informatie inwinnen over het heelal wanneer het 1 seconde oud was!
Kort hierna is het heelal ook al te koel om paarvorming toe te laten voor
elektronen en positronen: er treedt nu enkel nog annihilatie op, wat het
heelal vult met nog maar eens een lading fotonen. De
positronen verdwijnen, en enkel elektronen blijven achter, eens
te meer dankzij het materie-overschot.
Door de grote hoeveelheid annihilaties, bevat het heelal slechts 1 hadron
per 1.7 miljard fotonen.
100s tot 30 minuten: vorming van atoomkernen
Als protonen en neutronen tot nog toe wilden samenklitten, werden ze niet
veel later weer uit elkaar gedreven door een hoog-energetisch foton.
100s na de Big Bang worden deze laatsten echter zeldzaam, en proton-neutron
paren (deuterium-kernen) die ontstaan kunnen blijven bestaan.
Hoewel er oorspronkelijk zowat evenveel protonen
als neutronen zijn aangemaakt, is het aantal neutronen ondertussen sterk gedaald
door het radioactief verval, dat een neutron spontaan doet ontaarden
in een proton, een elektron en een neutrino. Uiteindelijk zal hierdoor
niet elk proton een neutron vinden om mee te binden, en zullen veel protonen
alleen achterblijven. Alleenstaande protonen zijn waterstof-kernen.
Uit het samenklitten van protonen en deuterium-kernen ontstaan verder nog
andere lichte atoomkernen: helium-3, helium-4, tritium, lithium, ...
Na 30 minuten wordt de verhouding tussen deze
elementen in het heelal voorgoed vastgevroren, doordat het heelal teveel
is afgekoeld om het samenklitten van kernen toe te laten. Uiteindelijk
zit 75% van de
massa zit in
waterstofkernen, 24% in heliumkernen, terwijl de andere soorten kernen
slechts 1% van de massa vertegenwoordigen.
30 minuten tot 300 000 jaar: vorming van atomen, ontkoppeling van straling en materie
Gedurende 300 000 jaar blijft het heelal een soep van atoomkernen,
elektronen en fotonen, die continu met mekaar botsen en energie
uitwisselen. Hierdoor is het
heelal ondoorzichting: een foton kan niet vooruit gaan zonder om de
haverklap te botsen, en hierdoor van haar baan af te wijken, of zelfs te
worden geabsorbeerd. Atomen zijn ook geen lang leven beschoren: als
een elektron zich aan een kern bindt, wordt het even later gegarandeerd
losgeslagen door een voorbijkomend foton.
Na 300 000 jaar is de temperatuur gezakt tot om en bij de
3000 K, en fotonen hebben vanaf nu niet meer voldoende energie om
elektronen los te slaan van atoomkernen: de eerste atomen kunnen
ontstaan, en blijven bestaan.
De kosmische achtergrondstraling, zoals waargenomen door de
COBE-satelliet, kwam op dit moment vrij.
Een gevolg hiervan is dat fotonen nu ook niet
meer voortdurend worden geabsorbeerd, waardoor ze lange tijd rechtdoor kunnen
reizen. Het
heelal wordt transparant, straling en materie zijn ontkoppeld. De
fotonen die we nu waarnemen als de kosmische achtergrondstraling, zijn
de fotonen die op dit ogenblik vrijkwamen.
300 000 tot 1 miljard jaar: vorming van sterren en sterrenstelsels
Men vermoedt
dat de kleine fluctuaties, die zichtbaar zijn in de kosmische
achtergrondstraling, wijzen op dichtheidsverschillen in het prille
heelal. Eens de fotonendruk op de materie na 300 000 jaar verdween, kon gravitatie
deze
onregelmatigheden versterken, en de
massa in het heelal doen samenklonteren tot kleinere, compactere
gaswolken.
Na 1 miljard jaar zijn hieruit de eerste sterrenstelsels ontstaan.
Verwante links
- Timeline of
the Universe:
Een overzicht van de evolutie van het heelal, en
het onstaan van het heelal, sterren, planeten en leven.
- Cosmos in a computer:
Een erg uitgebreide site met o.a. het detail van wat er tijdens de Big Bang allemaal gebeurde.
- Microwave Anisotropy
Project:
De site van een NASA-project omtrent de
achtergrondstraling, met een duidelijk overzicht van de kosmologie.
- Is iets onduidelijk? Heb je een fout gevonden? Mail ons!
|