|
Hoe oud is ons heelal nu? Via de
Big Bang-theorie krijgen we hierop wel een
redelijk antwoord, maar ook waarnemingen die niets met deze theorie te
maken hebben, wijzen erop dat het heelal wel degelijk een begin gehad
heeft, en geven ons een onafhankelijke schatting van haar leeftijd.
We halen hier enkele indicaties en metingen aan:
Het feit dat de resultaten uit bovenstaande technieken mekaar niet
tegenspreken, en zelfs waarden uitkomen die sterk in mekaars buurt
liggen, verhoogt de geloofwaardigheid van de Big Bang-theorie.
De paradox van Olbers
Stel dat het heelal statisch en oneindig is: dat het gelijkmatig gevuld
is met sterren/sterrenstelsels, en dat er altijd sterren/sterrenstelsels
zijn geweest. Hoe helder moet de nachtelijke hemel dan zijn?
De lichtintensiteit van een lichtbron neemt af met het kwadraat van de
afstand: als we 3 keer verder gaan staan van een lichtbron, krijgen we
er 9 keer minder licht van.
Als we het volume van een bolvormige schil, met gegeven dikte, om de
aarde gaan berekenen, dan zien we dat het toeneemt met het kwadraat van de
afstand. Een schil van 1 lichtjaar dikte op een afstand van 3000 lichtjaar,
heeft een
volume dat 9 keer groter is dan een schil van 1 lichtjaar op 1000
lichtjaar.
Als we nu, zoals eerder gesteld, veronderstellen dat
sterren/sterrenstelsels homogeen verdeeld zijn (overal zelfde aantal per
volume-eenheid), betekent dat dus dat een
schil op 3000 lichtjaar 9 keer meer sterren zal bevatten dan eentje op
1000 lichtjaar. Daardoor zal die schil ook 9 keer meer licht uitsturen,
maar door de afstand zien we die ook 9 keer zwakker. Alle schillen zullen dus,
onafhankelijk van de afstand waarop ze staan, vanop aarde even helder
lijken.
In een oneindig heelal, waar zelfs het licht van oneindig verre
schillen ons heeft kunnen bereiken, moet de nachthemel door de optelling
van al die schillen dus oneindig
helder zijn! Zelfs als we rekening houden met het feit dat een ster een
andere kan bedekken, moeten we tot de vaststelling komen dat elk punt
aan de hemel dan even helder zou moeten zijn als de zonneschijf: in elke
richting stoten we namelijk rechtstreeks op een steroppervlak ...
We weten dat dat niet zo is: de nachtelijke hemel is wel degelijk donker.
Kunnen donkere stofwolken, waarvan we weten dat ze veelvuldig voorkomen
in het heelal, misschien niet gewoon ons zicht belemmeren?
Dat kan, maar dit stof zou door de absorptie van het
licht opgewarmd worden, tot het uiteindelijk zou beginnen gloeien en
zelf licht beginnen uitstralen, wat tot hetzelfde resultaat zou leiden.
De oplossing van het paradox van Olbers ligt in het feit dat het heelal
een eindige leeftijd heeft, en dus op een zeker moment is ontstaan. Al
is het heelal oneindig groot en volledig
gevuld met sterren, het licht van
verre schillen heeft ons nog niet kunnen bereiken, omdat het nog maar
een eindige tijd naar ons onderweg is.
Het is waar dat een groot deel van het verre
licht wordt geabsorbeerd door interstellair stof, maar dit gebeurt nog niet
lang genoeg en niet met voldoende lichtintensiteit om dat stof significant op
te warmen. Bovendien zorgt de kosmische roodverschuiving ten gevolge van de uitdijing van het heelal
voor een verlies aan energie van de verste schillen. De
kosmische achtergrondstraling (licht van een bron van 3000K op een schil op 13.7 miljard lichtjaar) is hier een mooi voorbeeld van.
De abundantie van Uranium-isotopen
Uranium is een radioactief element. Dat wil zeggen dat het de neiging
heeft om na verloop van tijd spontaan over te gaan in een ander element,
in dit geval Thorium. Deze spontane metamorfose noemen we
het radioactief verval.
Er bestaan verschillende soorten (isotopen)
Uranium, met elk een verschillend aantal neutronen in de atoomkern.
De halfwaardetijd, de typische tijd die
verloopt alvorens de helft van een portie Uranium radioactief is
vervallen, is verschillend naargelang de isotoop.
| Isotoop | Halfwaardetijd | Vervalt naar |
| Uranium 234 | 244 500 jaar | Thorium 230 |
| Uranium 235 | 703.8 miljoen jaar | Thorium 231 |
| Uranium 238 | 4.468 miljard jaar | Thorium 234 |
Uranium-kernen worden gevormd wanneer sterren, aan het einde van hun
leven, ontploffen in een supernova-explosie. We kunnen berekenen dat
bij die gebeurtenis ongeveer 1.65 keer meer U235 dan
U238 ontstaat. Nu zien we echter dat er in het interstellaire gas
in ons melkwegstelsel 139 keer meer U238 dan U235 is.
Hieruit kan men besluiten dat het interstellaire gas in ons
melkwegstelsel zeker niet jonger is dan 6.6 miljard jaar. Daarbij moet
natuurlijk nog de tijd gerekend worden, nodig om het melkwegstelsel te
doen ontstaan (ca. 1 miljard jaar), en deze nodig om een ster tot een
supernova te laten evolueren (minimum ca. 100 miljoen jaar). Bovendien is de schatting een
benedengrens, want telkens een supernova ontploft, wordt nieuw Uranium
aangemaakt en in het interstellaire gas gestort.
De leeftijd van de oudste sterren
In plaats van naar het gas in de ruimte te kijken, kunnen we ook naar
sterren kijken. Die zijn eenvoudiger te onderzoeken, want daar kunnen
we de geschiedenis veel nauwkeuriger van narekenen.
De oudste sterren vinden we in bolhopen: bolvormige groeperingen van
enkele tienduizenden à honderdduizenden sterren, die rond ons
melkwegstelsel draaien. Ze zijn samen met ons melkwegstelsel ontstaan,
wellicht zo'n miljard jaar na de Big Bang.
Als we de samenstelling van deze sterren bekijken, zien we inderdaad dat
zij bijna uitsluitend bestaan uit waterstof en helium, en dus niet
vervuild zijn door zwaardere elementen uit nova's en supernova's: het
gaat wel degelijk om de eerste generatie sterren: populatie I sterren.
 |
 |
| De sterren van bolhoop M5 in een
Hertzsprung-Russell diagram, via hetwelke
de sterevolutie onderzocht kan worden. De verschillende letters komen
overeen met sterren in verschillende levensfasen. |
Hoe zwaarder een ster, hoe helderder ze is, maar ook hoe korter ze leeft.
In een bolhoop kunnen we er veilig van uitgaan dat alle sterren tegelijk
zijn ontstaan. Door hun helderheid en kleur nauwkeurig te bepalen, kan
men nu onderzoeken in welke levensfase elke ster van de bolhoop zich exact
bevindt, en dus ook welke sterren reeds verdwenen zijn. De levensduur
van de sterren die net niet meer te bespeuren zijn in de bolhoop, is de
leeftijd van de bolhoop.
Tot 1997 dacht men dat de oudste sterren die men waarnam zo'n 18 miljard
jaar oud waren, wat dus ouder is dan het heelal zelf! Dit mysterie werd
opgelost
toen de Hipparcos-satelliet ontdekte dat een aantal sterren, die als
mijlpaal gebruikt worden voor het meten van afstanden in het heelal,
dichterbij staan dan gedacht. Daarvoor had men dus steeds de absolute
helderheid, en dus de massa, van sterren in de bolhopen overschat.
Nu schatten we dat de oudste sterren zo'n 10 à 13 miljard jaar oud zijn.
Tel daar nog een miljard jaar bij voor het ontstaan van de
melkwegstelsels en bijhorende bolhopen, en we komen op een leeftijd van
11 à 14 miljard jaar voor het heelal.
De uitdijing van het heelal
Natuurlijk geeft de Big Bang-theorie zelf ook een schatting voor de
leeftijd van het heelal, via de uitdijingssnelheid (constante van Hubble).
Als we weten hoe het heelal uitdijt, en hoe
de uitdijingssnelheid evolueert,
kan de leeftijd van het heelal teruggerekend
worden. Volgens deze methode ligt de leeftijd van het heelal ergens
tussen 8 en 13 miljard jaar. Deze schatting is wel nog afhankelijk van
de kromming van het heelal.
Verwante links
- The age of the
universe: Meer gedetailleerde voorbeelden, en enkele andere
technieken voor leeftijdsbepaling van het heelal.
- Olber's Paradox: Een iets wiskundigere benadering van de oplossing van de paradox van Olbers.
- Is iets onduidelijk? Heb je een fout gevonden? Mail ons!
|