|
Slechts een gedeelte van de straling die de sterren uitzenden, is zichtbaar
licht. Daarnaast bestaat er ook radiostraling, infrarode straling, ultraviolette
straling, rontgenstraling en gammastraling. Vermits onze enige bron van
informatie over de sterren de straling is die ze uitzenden, hebben wij er dus
alle belang bij naast het zichtbaar licht ook die andere vormen van straling te
onderzoeken. Voor radiostraling gebeurt dit, vooral sinds de Tweede
Wereldoorlog, met behulp van radiotelescopen.
Een radiotelescoop bestaat hoofdzakelijk uit een grote, parabolische
schotelantenne. In tegenstelling tot visuele waarnemingen, waarbij een scheidend
vermogen kan worden bereikt dat beter is dan een boogseconde, geven
radiowaarnemingen een resolutie van slechts enkele boogminuten. Hoe groter de
antenne echter, hoe beter dit scheidend vermogen zal zijn.
De grootste beweegbare antenne bevindt zich in Effelsberg in Duitsland en
heeft een diameter van ongeveer 100 meter (een voetbalveld groot!). De grootste
antenne vinden we in Arecibo in Zuid-Amerika; zij heeft een diameter van meer
dan 300 meter, maar is onbeweegbaar.
Door het op een lijn plaatsen van verscheidene antennes, verkrijgt men een
nog beter scheidend vermogen. Het lijkt dan alsof de astronomen waarnemen met
een antenne van enkele kilometers lang, de lengte van die lijn. In Westerbork
(Nederland) en Nieuw-Mexico (Verenigde Staten) vinden we zulke systemen.
Aangezien radiostraling veel beter doordringt in de aardse atmosfeer dan
gewoon licht, kan men met een radiotelescoop zelfs waarnemen bij bewolkt weer of
overdag! De belangrijkste verdienste van de radio-astronomie ligt echter in het
feit dat radiostraling ook veel makkelijker doorheen de talrijke donkere
stofwolken in ons melkwegstelsel en de rest van het heelal dringt. Met behulp
van radiotelescopen kunnen we "zien" wat er achter die stofwolken ligt!
Zo zijn we dankzij de radio-astronomie te weten gekomen dat ons
melkwegstelsel een spiraalstructuur heeft (zie tekst Sterrenstelsels). Zij heeft
ons ook geleerd dat het ganse heelal een achtergrondtemperatuur van -270°C
heeft, drie graden boven het absolute nulpunt. Deze ontdekking bleek een grote
steun voor de big bang-theorie (zie tekst Sterrenstelsels), aangezien die
geringe warmte een overblijfsel van de oerknal zou zijn.
|