|
In de vorige paragrafen zagen we dat sterren ontstaan uit samentrekkende
gaswolken. De meeste interstellaire gaswolken zijn echter zo uitgestrekt dat er
makkelijk tientallen uit gevormd kunnen worden. Vaak zullen twee of meer
condensatiekernen astronomisch gesproken zo dicht bij elkaar liggen dat de eruit
resulterende sterren rond elkaar gaan draaien; we spreken dan respectievelijk
van een dubbelster of een meervoudige ster. Tegenwoordig neemt men aan dat de
overgrote meerderheid van de sterren dubbel of meervoudig is. Enkelvoudige
sterren zoals de Zon zijn dus eerder de uitzondering dan de regel.
Aan de hemel vinden we inderdaad talrijke sterrenparen. Vele daarvan kunnen
we slechts met een telescoop als dusdanig herkennen; met het blote oog zien we
dan ofwel helemaal niets ofwel slechts een ster. Sommige van deze sterrenparen
zijn echter slechts schijnbare dubbelsterren. Dit wil zeggen dat die sterren
vanop Aarde gezien toevallig in dezelfde richting staan, maar op erg
verschillende afstanden van ons. Het merendeel van die sterrenparen zijn echter
fysische (echte) dubbelsterren, waarvan beide componenten rond hun
gemeenschappelijk massamiddelpunt draaien.
Dubbelsterren waarvan beide componenten van elkaar kunnen worden gescheiden
met het blote oog of met behulp van een verrekijker of een telescoop, noemt men
visuele dubbelsterren.
Is de hoekafstand tussen de individuele sterren echter te klein, dan kunnen
we ze niet meer van elkaar onderscheiden met behulp van een telescoop. Dit is
het geval als de componenten dicht bij elkaar staan of als de dubbelster erg ver
van ons verwijderd is. Met een spectroscoop (een toestel met een prisma of een
rooster waarmee men een spectrum kan maken) kan men nochtans vele dergelijke
dubbelsterren "ontmaskeren". Zulke dubbelsterren noemt men spectroscopische
dubbelsterren.
Tenslotte zijn er ook nog dubbelsterren die men kan vinden aan de hand van
helderheidsvariaties. Dit is het geval wanneer een van beide sterren de andere
bedekt, zodat we nu eens het licht van een en dan weer van beide sterren
ontvangen. Deze sterren worden bedekkingsveranderlijken of eclipsveranderlijken
genoemd. De bekendste bedekkingsveranderlijke is Algol of beta Persei, waarvan
de helderheidsvariaties reeds sinds mensenheugenis wordt waargenomen. Algol
heeft doorgaans magnitude 2,1, maar elke 69 uur daalt haar helderheid tot
magnitude 3,3.
Bij al deze beschouwingen mag je niet vergeten dat sterren niet alleen
dubbel kunnen zijn, maar ook nog meer componenten kunnen hebben. Zo is Castor in
de Tweelingen (alfa Geminorum) zelfs zesvoudig!
|