| |
Waarschijnlijk heb je al wel opgemerkt dat niet alle sterren even
helder zijn. Het was de Griekse geleerde Hipparchus (190-120 v. Chr.) die
de sterren voor de eerste keer in helderheidsklassen of magnituden indeelde. De
helderste sterren noemde hij van de eerste magnitude of grootte, de iets
zwakkere van de tweede, enzovoort, tot bij de zwakste sterren die hij in de
zesde helderheidsklasse stak. Hoe groter het cijfer van de magnitude, des te
zwakker de ster is.
Die verdeling is ondertussen verder uitgewerkt en verbeterd, precies zo dat
een ster van eerste magnitude 100 maal lichtsterker is dan een ster van de zesde
magnitude. Bovendien merkte men op dat sommige sterren precies tussen twee
helderheidsklassen in zaten, zodat het nodig was de klassen verder op te
splitsen. Er zijn dus niet alleen sterren van magnituden 1 tot en met 6, maar
bijvoorbeeld ook van 1,5 en 3,72.
De uitvinding van de telescoop had tot gevolg dat er nog veel zwakkere
sterren gezien konden worden. De verdeling werd dus uitgebreid voor sterren die
niet meer met het blote oog zichtbaar zijn. Met de grootste telescopen kan men
sterren van magnitude 25 fotograferen.
Maar ook voor helderdere objecten werd de schaal uitgebreid: van magnitude 1
over 0 naar -1, -2, enzovoort. De helderste ster, Sirius, is van magnitude -1,46
en de Zon van magnitude -26,8. De met het blote oog zichtbare planeten hebben
helderheden die liggen tussen 1 en -4, terwijl de magnitude van de maan zich
meestal tussen -10 en -13 situeert, afhankelijk van de fase.
De magnitude van een ster zegt ons eigenlijk niets over de werkelijke
lichtkracht en de afstand van die ster. Als twee sterren voor ons dezelfde
helderheid hebben, is het best mogelijk dat de ene ster heel lichtsterk is, maar
veraf staat, terwijl de andere veel lichtzwakker is, maar ook veel dichter bij
ons staat. Die magnitude is dus maar een schijnbare magnitude, zoals wij die van
op Aarde waarnemen. Om de absolute magnitude (de "werkelijke" magnitude dus) van
de sterren te meten, heeft men ze in gedachten op een afstand van 10 parsec geplaatst
en hun magnitude omgerekend voor die afstand. Zo heeft onze eigen Zon een
bescheiden absolute helderheid van slechts 4,8.
|