Volkssterrenwacht Urania Magnituden van sterren Waarnemingstoren
  Discussieforum | FAQ | Zoeken | Sitemap | Pagina printen | English | Français
  Startpagina
  Urania
  Kalender
  Cursussen
  Bezoeken
  Astroreizen
  Urania Mobiel
  Astroshop
  Bibliotheek
  Jeugdwerking
  Werkgroepen
 
  Nieuwsberichten
  Frank De Winne
  Ledendag 2010
  Waarnemingsinfo
  Weerbericht
  Nieuwsbrief
  Foto's
  Archief
 
  Zonnestelsel
   Sterren
  Magnituden
  Naamgeving
  HR-diagram
  Levensloop
  Dubbelsterren
  Veranderlijken
  Sterrenstelsels
  Hemelmechanica
  Heelal
  Ruimtevaart
  Weerkunde
  Telescopen
  Waarnemen
  Adressen in België
  Sterrenwachten
  FAQ
 
  Vraag toegang
  Wachtwoord kwijt?
 

Urania-initialen

Wachtwoord

Login onthouden:
Sterrenkunde > Sterren > Magnituden
  

Waarschijnlijk heb je al wel opgemerkt dat niet alle sterren even helder zijn. Het was de Griekse geleerde Hipparchus (190-120 v. Chr.) die de sterren voor de eerste keer in helderheidsklassen of magnituden indeelde. De helderste sterren noemde hij van de eerste magnitude of grootte, de iets zwakkere van de tweede, enzovoort, tot bij de zwakste sterren die hij in de zesde helderheidsklasse stak. Hoe groter het cijfer van de magnitude, des te zwakker de ster is.

Die verdeling is ondertussen verder uitgewerkt en verbeterd, precies zo dat een ster van eerste magnitude 100 maal lichtsterker is dan een ster van de zesde magnitude. Bovendien merkte men op dat sommige sterren precies tussen twee helderheidsklassen in zaten, zodat het nodig was de klassen verder op te splitsen. Er zijn dus niet alleen sterren van magnituden 1 tot en met 6, maar bijvoorbeeld ook van 1,5 en 3,72.

De uitvinding van de telescoop had tot gevolg dat er nog veel zwakkere sterren gezien konden worden. De verdeling werd dus uitgebreid voor sterren die niet meer met het blote oog zichtbaar zijn. Met de grootste telescopen kan men sterren van magnitude 25 fotograferen.

Maar ook voor helderdere objecten werd de schaal uitgebreid: van magnitude 1 over 0 naar -1, -2, enzovoort. De helderste ster, Sirius, is van magnitude -1,46 en de Zon van magnitude -26,8. De met het blote oog zichtbare planeten hebben helderheden die liggen tussen 1 en -4, terwijl de magnitude van de maan zich meestal tussen -10 en -13 situeert, afhankelijk van de fase.

De magnitude van een ster zegt ons eigenlijk niets over de werkelijke lichtkracht en de afstand van die ster. Als twee sterren voor ons dezelfde helderheid hebben, is het best mogelijk dat de ene ster heel lichtsterk is, maar veraf staat, terwijl de andere veel lichtzwakker is, maar ook veel dichter bij ons staat. Die magnitude is dus maar een schijnbare magnitude, zoals wij die van op Aarde waarnemen. Om de absolute magnitude (de "werkelijke" magnitude dus) van de sterren te meten, heeft men ze in gedachten op een afstand van 10 parsec geplaatst en hun magnitude omgerekend voor die afstand. Zo heeft onze eigen Zon een bescheiden absolute helderheid van slechts 4,8.