|
Het melkwegstelsel heeft ongeveer een diameter van 100.000 lichtjaar. De
spiraalarmen zijn zo'n 3000 lichtjaar dik, terwijl de maximale dikte van de kern
ongeveer 15.000 lichtjaar bedraagt.
De sterren zijn niet gelijkmatig verspreid in het melkwegstelsel, naar het
centrum toe vergroot hun aantal. Ook rond het centrale vlak treft men er meer
aan dan verder naar buiten. Ons zonnestelsel bevindt zich in een van de
spiraalarmen, op ruwweg 30.000 lichtjaar van het centrum van het melkwegstelsel,
een vijftigtal lichtjaar boven het centrale vlak. Afgezien van variaties die te
maken hebben met de afstand tot het centrum, komen er in het melkwegstelsel ook
plaatselijke concentraties voor van gas en stof en sterren: nevels en
sterrenhopen.
Donkere nevels
Aan de hemel zijn gebieden waarin minder sterren zichtbaar zijn dan er rond.
Op die plaatsen hangen gas- en stofwolken in de ruimte, die het sterlicht
verzwakken met 0,5 tot 4 magnitudes. Soms tekenen ze zich scherp af tegen
lichtende nevels, waardoor ze duidelijk zichtbaar worden. Een van de mooiste
donkere nevels is de Paardekopnevel in Orion, die haar naam dankt aan haar vorm.
Diffuse nevels
Zoals in het vorige hoofdstuk uiteengezet, kunnen er in een gas- en stofwolk
door samentrekking concentraties ontstaan waaruit sterren geboren worden. Als
die sterren heet genoeg zijn, kan hun ultraviolette straling het gas van de
nevel er rond tot lichten brengen. Dit verschijnsel, dat ook plaatsvindt in
buislampen, maar daar veroorzaakt wordt door een elektrische stroom, heet
fluorescentie. De diffuse nevels waarin het gas door fluorescentie zelf licht
uitzendt, noemen we emissienevels. Net zoals de kleur van het licht van een
buislamp bepaald wordt door het gas waarmee die gevuld is, hangt ook de kleur
van een emissienevel af van zijn samenstelling. Doorgaans zijn rood en groen de
overheersende kleuren, veroorzaakt door respectievelijk waterstof en zuurstof.
De Orionnevel is ongetwijfeld het bekendste voorbeeld van een een emissienevel.
Een diffuse nevel kan echter ook zichtbaar worden doordat minder hete
sterren haar gewoon verlichten. De nevel wordt dan zichtbaar omdat het gas en
stof het sterlicht verstrooien. Dergelijke nevels noemen we reflectienevels.
Reflectienevels zijn doorgaans blauw, omdat blauw licht het gemakkelijkst
verstrooid wordt. (Om die reden ook is trouwens de hemel blauw overdag.) De
eerst ontdekte en tevens meest bekende reflectienevels zijn de restjes
waterstofwolk rondom de heldere, jonge sterren van het Zevengesternte of de
Pleiaden, een open sterrenhoop in de Stier.
Open sterrenhopen
Sterren die uit dezelfde grote gaswolk ontstaan zijn, bevinden zich
aanvankelijk in elkaars buurt. Aldus krijgen we een sterrenhoop. Wegens de
onregelmatige verdeling van de sterren in zo'n hoop, spreken we van een open
sterrenhoop. Tot nu toe zijn er ongeveer 900 open sterrenhopen bekend, die elk
100 tot 1000 overwegend jonge sterren tellen.
Het Zevengesternte is voor ons de gemakkelijkst met het blote oog
waarneembare sterrenhoop. Het is een vrij jonge groep van ongeveer 400 sterren
waarvan, zoals de naam het reeds suggereert, enkel de allerhelderste zonder
hulpmiddelen geobserveerd kunnen worden.
Planetaire nevels
Planetaire nevels danken hun naam aan hun uiterlijk. Door een telescoop
vertonen ze zich als kleine schijfjes. Daar houdt elk verband met planeten dan
ook op.
Een planetaire nevel is een bolvormige gasmassa, waarin zich, in het
centrum, het afkoelend restant van een eerder lichte ster bevindt. De nevel is
ontstaan uit de gasschillen die de ster van zich heeft afgestoten op het einde
van haar leven. Tot nu toe zijn er ongeveer 1500 planetaire nevels gekend. De
Ringnevel in de Lier is wel veruit de bekendste.
Supernova-resten
Bij een supernova-explosie worden nog grote gasmassa's met een enorme
snelheid de ruimte in geslingerd. Zowel planetaire nevels als supernova-resten
zijn zichtbaar door fluorescentie.
De Krabnevel in de Stier is zo'n supernovarestant. Hij zet uit met een
snelheid van wel 1000 km/s. Daaruit kan men berekenen dat de explosie heeft
plaatsgevonden in de 11de eeuw. Dit is in overeenstemming met oude Chinese
handschriften die inderdaad gewag maken van een "nieuwe ster" in de Stier die in
1054 verscheen en zo helder werd dat ze zelfs overdag zichtbaar was.
|