| |
Het waarnemen van meteoren is populair onder amateur-astronomen.
De waarnemingen zijn relatief eenvoudig, er is weinig materiaal vereist,
en de waarnemingen zijn wetenschappelijk relevant.
Een degelijke kennis van de sterrenbeelden is zowat de enige
vereiste om te kunnen starten.
De bedoeling van de waarnemingen is meer te weten te komen over het stof
in het melkwegstelsel: de verdeling en hoeveelheid stof, de grootte van
de deeltjes, het
ontstaan van de zwermen, hun banen, ... Ook kan informatie ingewonnen
worden over onze atmosfeer.
Er zijn verschillende waarnemingsmethodes: eerst en vooral
het visueel waarnemen, dat het meest
in trek is, maar anderzijds
zijn er ook fotografische en
telescopische waarnemingen.
Het visueel waarnemen van meteoren
Onder deze noemer vallen de telling en de intekening. Beide soorten waarnemingen gebeuren met het blote oog. Intekenen van
meteoren doe je bij nogal lage activiteit (weinig meteoren), terwijl tellen bij hoge
activiteit gedaan wordt (wanneer je geen tijd hebt om in te tekenen).
Bij "tellingen" proberen we een statistische verdeling van de meteoren op
te stellen: aantallen per zwerm, helderheden, nalichtende sporen, ...
Bij
"intekeningen" willen we daarenboven ook de richting van de meteoor
vastleggen, om de structuur van meteoorzwermen te kunnen onderzoeken.
De telling
|
Benodigdheden
|
|
- veldbed en slaapzak
- warme kledij
- horloge
- cassetterecorder, cassettes en reservebatterijen
|
|
|
|
Voorbereiding van de waarneming
Waarnemen kan alleen, maar ook in groepjes van 2 of 3 waarnemers. Per groep is er één
persoon die alle gegevens van de groep op de cassette inspreekt.
Belangrijk is wel dat iedereen rustig de tijd neemt om zich warm op zijn
veldbed te
installeren en de ogen aan de duisternis te laten wennen. Dit duurt
meestal een kwartier. Tijdens dit kwartiertje kan je bijvoorbeeld al de
posities van de sterrenbeelden en radianten goed bekijken. Daarna kan de
waarneming beginnen. De inspreker spreekt volgende gegevens in:
- datum van de waarneming: "nacht van ... op ..."
- plaats van de waarneming
- begintijdstip (in UT = zomertijd - 2u = wintertijd - 1u)
- namen van de waarnemers
- centrum van gezichtsveld
Om de meeste meteoren te zien, kijk je best niet rechtstreeks naar de
radiant, maar naar een plek hoog aan de hemel, op 60° à 90°
van de radiant. Kijk ook niet strak naar één punt, maar laat je blik
wat dwalen.
Grensmagnitude en bewolking
In het begin en daarna om het half uur (of minder) schat elke waarnemer
de grensmagnitude door het aantal sterretjes te tellen in welbepaalde
gebiedjes. Uit de lijst van telgebiedjes selecteer je op voorhand deze
die dicht bij je gezichtspunt staan. Tel de hoeksterren mee, maar tuur niet
te krampachtig naar de zwakste sterren (niet perifeer kijken). Achteraf
kan je uit deze telling de grensmagnitude bepalen.
Om onze waarnemingen betrouwbaar te houden, moeten we telkens er
bewolking is, het tijdstip (in UT) inspreken, samen met het aantal procent
bewolking in het gezichtsveld (op 10% nauwkeurig).
Wat als er een meteoor verschijnt?
Eerst en vooral moet je de inspreker duidelijk maken dat je een meteoor
hebt gezien (dit door bij voorbeeld "ja!" of "meteoor!" te roepen). Dan geef
je volgende gegevens door die de inspreker inspreekt:
- De magnitude van de meteoor op 0.5 nauwkeurig (vergelijk hiervoor
met sterren)
- De zwerm van de meteoor (of sporadisch)
- De duur van een eventueel nalichtend spoor (en eventueel kleur,...)
- Eventueel opmerkingen i.v.m. kleur, ontploffing, vuurbol,...
|
Magnitude en zwerm van meteoren
|
|
|
Van elke meteoor moet de magnitude geschat te worden; de helderheid van
een meteoor geeft immers veel informatie over de grootte van de
binnenkomende meteoroide. Deze magnitude wordt bepaald door de
helderheid te vergelijken met een aantal referentiesterren waarvan de
magnitude gekend is. Daarom is het belangrijk om die magnitudes van
referentiesterren goed te kennen. In volgende tabel vind je een aantal
goede referentiesterren:
| Magnitude | Naam ster |
Magnitude | Naam ster |
Magnitude | Naam ster |
| -1,5 | Sirius |
+1,0 | Aldebaran |
+3,0 | Albireo (β Cygni) |
| 0,0 | Arcturus |
+1,5 | Deneb |
+3,5 | ε Cas |
| 0,0 | Wega |
+1,5 | Castor |
+3,5 | δ Gem |
| 0,0 | Capella |
+2,0 | Polaris |
+4,0 | κ Cyg |
| +0,5 | Altair |
+2,5 | γ Cas |
| |
Verder is het ook belangrijk de zwerm van een bepaalde meteoor te
bepalen. Hiervoor zijn 3 zaken van belang:
De richting van de meteoor: de meteoor moet eerst en vooral
ontspringen uit de radiant van de bepaalde zwerm. Concreet wil dit
zeggen dat je het meteoorspoor naar achter moet verlengen; kom je in de
radiant (of de nabije omgeving ervan) uit, dan is deze meteoor al een
kandidaat voor de welbepaalde zwerm.
De grootte van het spoor: indien een meteoor dichtbij de radiant
verschijnt, moet het een kort spoor zijn; indien de meteoor verder van
de radiant verschijnt, moet het spoor lang zijn. Een uitzondering hierop
zijn vuurbollen: die kunnen wel lange sporen vertonen als ze dichtbij de
radiant ontspruiten.
De snelheid: elke zwerm heeft een karakteristieke snelheid en
dus moet de kandidaat-zwermmeteoor ook aan deze voorwaarde voldoen.
Bijvoorbeeld: Leoniden zijn zeer snelle meteoren; een trage meteoor die
uit de radiant van de Leoniden komt en de goede lengte heeft, moet dus
ook snel zijn om een Leonide te zijn.
| Naam | Periode | Maximum | α | δ | ZHR | r |
| Quadrantiden | 01 jan - 05 jan | 03
jan | 230° | +49° | 120 | 2.1 |
| Lyriden | 16 apr - 25 apr | 21 apr | 271° | +34° | 15 | 2.9 |
| Aquariden | 12
jul - 31 aug | 27 jul | 339° | -16° | 20 | 3.2 |
| Perseïden | 17 jul - 24 aug | 12
aug | 46° | +58° | 90 | 2.6 |
| α-Aurigiden | 25 aug - 05 sep | 31 aug | 84° | +42° | 10 | 2.5 |
| Draconiden | 06
okt - 10 okt | 08 okt | 262° | +54° | Var. | 2.6 |
| Orioniden | 02 okt - 07 nov | 21
okt | 95° | +16° | 20 | 2.9 |
| Tauriden | 01 okt - 25 nov | 10 nov | 55° | +18° | 10 | 2.3 |
| Leoniden | 14 nov
- 21 nov | 17 nov | 153° | +22° | Var. | 2.5 |
| Geminiden | 07 dec - 17 dec | 13
dec | 112° | +33° | 120 | 2.6 |
| Ursiden | 17 dec - 26 dec | 22 dec | 217° | +76° | 10 | 3.0 |
|
|
|
|
De verwerking
Vul je waarnemingen in op gestandardiseerde formulieren.
Zo kunnen ze opgenomen worden in de meteorendatabank
van de International Meteor Organization.
Die puurt dan globale
analyses van de meteorenactiviteit uit deze gegevens.
Je kan zelf ook aan de slag om bij voorbeeld de ZHR en de
populatie-index te berekenen van je eigen waarnemingen.
|
De ZHR (Zenithal Hourly Rate)
|
|
|
Waarnemers die op hetzelfde ogenblik waarnemen, genieten zelden van
dezelfde omstandigheden: op de ene plaats is het helderder dan op een
andere, zodat men daar meer meteoren zal kunnen zien. Verder spelen ook
eventuele bewolking en de hoogte van de radiant een belangrijke rol.
Daardoor corrigeert men alle waarnemingen tot men de ZHR van een
bepaalde zwerm bekomt. Deze ZHR, de Zenithal Hourly Rate, is dan het
aantal meteoren dat men per uur zou waargenomen hebben, indien de
waarnemer over ideale omstandigheden zou beschikt hebben.
Voor de berekening van de ZHR beginnen we met het aantal zwermmeteoren N
dat een bepaalde waarnemer heeft gezien. Indien we dit aantal delen door
de effectieve waarnemingstijd T (uitgedrukt in uren en decimalen, zo is
40 minuten gelijk aan 0,67 u), verkrijgen we het gemiddelde aantal
zwermmeteoren per uur. Dan moeten we dit aantal gaan corrigeren voor 3
factoren:
Grensmagnitude: we vermenigvuldigen met een factor C, de
correctiefactor voor de grensmagnitude, waardoor we het aantal
zwemmeteoren verkrijgen dat gezien zou zijn bij een grensmagnitude van
6,5.
Bewolking: analoog vermenigvuldigen we het resultaat met een
factor F, die eventuele bewolking corrigeert. Indien er bijvoorbeeld
gemiddeld 10% bewolking was tijdens de waarneming, zal F 1,11
bedragen.
Hoogte van de radiant: tenslotte delen we door sin hr, waarbij
hr de hoogte van de radiant is. Dan verkrijgen we het aantal meteoren
alsof de radiant in het zenit zou gestaan hebben.
Dus
ZHR = N×C×F / T×sin(hr).
De ZHR zal bijgevolg altijd hoger liggen dan het effectief waargenomen
aantal meteoren per uur. Als men bijvoorbeeld voorspelt dat de Perseïden
dit jaar een ZHR van 110 zullen halen, moet men dit aantal voor onze
streken delen door ongeveer 2 om het werkelijke aantal te bekomen. Door
de ZHR van een bepaalde zwerm te berekenen, kan men bepalen hoeveel stof
en gruis er in de ruimte rondzweeft.
|
|
|
|
De populatie-index
|
|
|
Per zwerm bestaat er een getal dat een aanduiding geeft voor het aantal
heldere meteoren. Het is namelijk zo dat er r keer meer meteoren zijn
van magnitude m of helderder dan van magnitude m-1 of helderder. Er zijn
dus veel meer minder heldere meteoren dan zwakke meteoren, maar voor de
ene zwerm is dit verschil groter dan voor een andere. Het getal r noemt
men de populatie-index van de zwerm. Deze ligt meestal tussen 2 en 4.
Hoe kleiner de populatie-index, des te meer heldere meteoren er in
verhouding zullen zijn. De Tauridenzwerm bijvoorbeeld heeft een
populatie-index van 2,3 en is bekend om zijn vuurbollen.
|
|
|
|
De intekening
|
Benodigdheden
|
|
- veldbed, slaapzak
- warme kledij
- rode zaklamp (met reservebatterijen en reservelampje)
- harde onderlegger, lat, potlood
- meteoorkaartjes
- horloge dat op 1 seconde nauwkeurig de tijd in UT geeft.
|
|
|
|
Begin van de waarneming
We verdelen ons in groepjes van 3 of 4 waarnemers. In elk groepje is er
één notulant. Deze neemt zelf niet waar, maar noteert alle gegevens van
de andere waarnemers. Als de ogen aangepast zijn, kan de waarneming
beginnen. De notulant noteert dezelfde gegevens die bij het begin van
een telling werden ingesproken.
Grensmagnitude en bewolking
Zoals bij een telling.
Wat als er een meteoor verschijnt?
Onmiddellijk de notulant verwittigen, zodat die de tijd van de
meteoor zo nauwkeurig mogelijk (op de seconde) kan noteren. De notulant
noteert ook het rangnummer van de meteoor, dat hij ook duidelijk aan de
waarnemers meedeelt.
EERST memoriseer je het spoor van de meteoor tussen de sterren,
alsook de magnitude en boogsnelheid, je zoekt het meest geschikte
kaartje en tekent daarop de meteoor in samen met zijn rangnummer.
DAN geef je volgende gegevens door aan de notulant:
- magnitude: je vergelijkt hierbij de helderheid van de meteoor met
die van sterren
- zwerm (of sporadisch): dit moet niet persé, omdat je de meteoor toch
intekent
- boogsnelheid
- eventueel de duur van een nalichtend spoor
- nummer van het kaartje en de betrouwbaarheid van de tekening (+,
o of -)
- eventuele opmerkingen
|
Schatten van de boogsnelheid van meteoren
|
|
|
Bij intekeningen schatten we ook de snelheid van meteoren. Daarvoor
geven we weer hoeveel graden de meteoor per seconde over het
hemelfirmament vloog. Hiervoor schatten we de duur van de meteoor,
verlengen het spoor alsof het 1 seconde zou geduurd hebben en schatten
hoe groot dat spoor dan zou zijn. Typische boogsnelheden liggen tussen
de 5 en 40 graden per seconde.
|
|
|
|
Opmerkingen
Laat je nooit beïnvloeden door andere waarnemers, ook niet door
de meer ervaren waarnemers. Het kan best zijn dat jij de meteoor
beter gezien hebt dan de rest, en dan zullen jouw gegevens
betrouwbaarder zijn. De gegevens van verschillende waarnemers
kunnen daardoor soms bijna volledig verschillen.
Vuurbollen (meteoren van magnitude -3 of helderder) zijn zeer
belangrijk. Je moet proberen zoveel mogelijk gegevens van die
meteoor door te spelen. Tijdstip, zwerm en magnitude zijn
vanzelfsprekend, maar je kan ook een gedacht geven van de duur,
kleur, snelheid en andere opmerkingen. Daarnaast moet je ook de
plaats en richting van de vuurbol vermelden. Je kan hem ofwel
ineens intekenen (neem ook meteoorkaartjes mee bij een telling)
of zeggen tussen welke sterrenbeelden de meteoor voorbijflitste.
Bij een hoge activiteit is het ten zeerste aangeraden zo veel
mogelijk tijdstippen in te spreken, bij voorbeeld om de 5 minuten.
Bij eventuele onderbrekingen (plaspauzes, te veel bewolking),
steeds begin- en eindtijd (in UT) vermelden.
Het fotografisch waarnemen van meteoren
Soms kan het de moeite lonen om te proberen meteoren te fotograferen.
Alleen moet je wel weten dat zoiets
enkel lukt met de helderste meteoren.
Bij een lage activiteit moet je dus al heel
veel geluk hebben om een meteoor op je negatief te krijgen, maar bij
hoge activiteit moet het af en toe lukken.
Materiaal
Welk materiaal hebben we nodig? Neem liefst een reflex-camera, en kies een
lichtsterke standaardlens of breedhoeklens (b.v. 50 mm F/2). Laad een
relatief gevoelige film op het toestel (b.v. 400 ASA dia of zwart/wit
foto). Plaats het toestel stevig op een statief, en zet het op B-stand
(zodat je lange belichtingen kan uitvoeren). Gebruik best een
draadontspanner om het trillen van het toestel te voorkomen.
Het fotograferen
Stel het fototoestel op op een donkere plek, en
noteer naar welk gebied van de hemel het gericht is.
Bij het begin en einde van elke opname moet je
nauwkeurig de tijdstippen (uiteraard in UT) noteren, evenals de
hoeveelste opname van de film het betreft. De belichtingstijden hangen
wat af van de activiteit: bij zeer hoge activiteit neem je best 5
minuten, anders 10 of 15 minuten. Anderzijds hangen de belichtingstijden
ook af van de seeing en vooral de lichtvervuiling. Je kan dan beter wat
korter belichten, om overbelichting door de lichtvervuiling te vermijden.
Naast de fotografen, zouden er ook nog liefst 2 visuele waarnemers
aanwezig moeten zijn die alle gegevens van de heldere meteoren (b.v. van
magnitude 2 of helderder) inspreken. Vooral het exacte tijdstip,
sterrenbeeld en richting zijn belangrijk. Zo kunnen de meteoren op de
film geïdentificeerd worden. Deze waarnemers moeten echt alle meteoren
in het gefotografeerde gebied zien, en mogen dus niet intekenen. Ook de
tijd kan best door iemand anders gegeven worden.
Met een sector ("rotating shutter") kan je de snelheid van de meteoor
berekenen, als je ze gefotografeerd hebt. Een sector is een soort
draaiend molentje dat je voor je toestel zet. De sector draait snel rond
en bedekt daardoor regelmatig de opening van het fototoestel (fracties
van een seconde). Als er dan een meteoor verschijnt, zal het toestel de
meteoor vastleggen, maar in streepjes, doordat de sector tijdens het
verschijnen van de meteoor meermaals de opening eventjes bedekt heeft.
Een snelle meteoor zal dan lange streepjes hebben, terwijl een trage
meteoor korte strepen zal hebben. Als je sectoren gebruikt en simultaan
op 2 posten waarneemt, kan je ook nog de baan van de meteoor berekenen.
Het telescopisch waarnemen van meteoren
Ook met de telescoop of verrekijker kan je meteoren waarnemen. Je richt je kijker
gewoon naar een gebied en tekent al de meteoren in die je ziet. Je
noteert het type van kijker en oculair en het centrum van het beeldveld.
Op je kaartje (meestal komt dat uit Uranometria) teken je met een passer
ook je beeldveld. Je moet zeker geen grote vergroting nemen, want dan is
je beeldveld veel te klein en zal je uiterst weinig meteoren zien. Elke
meteoor teken je dan in op het kaartje, je noteert telkens de tijd en
magnitude en betrouwbaarheid. Vergeet ook de grensmagnitude niet.
Het voordeel van deze methode is dat je ook
zwakkere meteoren kan waarnemen. Nadelen zijn er zeker ook: je beeldveld
is redelijk klein en je kan het moeilijk lang volhouden.
Verwante links
|