|
In België bedraagt de jaarschommeling van de temperatuur ongeveer 15°C. Hoe warmer, hoe meer kans op onweer en
hoe kouder, hoe minder kans op onweer. Hierdoor is de kans op onweer het grootst in de maanden mei tot en met
augustus. In het putje van de winter is onweer uitzonderlijk, maar zeker niet uitgesloten.
Warmte-onweer
Warmte-onweer ontstaat, zoals het woord het zegt, op warme tot hete dagen.
Meestal ontstaan de eerste tekenen van warmte-onweders boven grote zanderige
oppervlakten. Die eerste tekenen zijn wolken met torentjes: cumulus humilis
(castellanus). De wolken groeien uit tot een mooie witte wolk: de cumulus
mediocris. Daarna komt de cumulus congestus: een grote wolk die al een dreigende
kleur krijgt. Uit deze wolk valt geen of hoogstens een beetje neerslag. De
volgende stap is uiteindelijk de volwaardige onweerswolk: de befaamde
bloemkoolwolk of de cumulonimbus. Vaak zijn ze 7 tot 10 km hoog en hebben ze een
inktzwarte onderkant. De voortdurend stijgende en dalende bewegingen binnen deze
wolken veroorzaken alsmaar grotere ijsbollen die vaak als hagel op het
aardoppervlak vallen. Een warmte-onweer duurt meestal niet langer dan een
kwartier tot een half uur en is niet al te hevig.
Als er echter boven
een zeer grote oppervlakte (minstens 5000 km2) onweerswolken
ontstaan, kan dit voor een daling van de luchtdruk zorgen: een thermische
depressie. De thermische depressies bezorgen ons langdurige onweders, die
bovendien gepaard gaan met rukwinden en hevige neerslag. Zo'n onweer komt
meestal uit het zuidwesten en is ontstaan boven Zuid-Frankrijk.
Frontonweer
Een mooie, warme periode wordt steeds beëindigd door een front. Wanneer dit
een koufront is, kan het onweer zeer hevig zijn. Het koufront duwt de koude
lucht onder de warme zodat de warme lucht moet stijgen. Zo ontstaan bliksemsnel
bijzonder hevige onweders.
Omdat fronten zeer breed en lang kunnen
zijn, blijven de eventuele onweders soms zeer lang onze streken teisteren (soms
1 tot 2 dagen aan één stuk door!). Een koufront kan zelfs in de winter onweer
geven.
Bliksem en donder
In een onweerswolk verplaatsen de aanwezige ijsdeeltjes zich voortdurend van
boven naar onder en omgekeerd. Hierdoor vriezen de kleinere ijsdeeltjes vast aan
de grotere. De ijsdeeltjes zijn er voor verantwoordelijk dat bovenaan de wolk
een positieve lading en onderaan een negatieve ontlading ontstaat. Voor dit
proces bestaan op dit moment meerdere theorieën. Misschien heeft wrijving er
iets mee te maken.
Hoe ontstaat nu een bliksem? Wanneer het verschil in
lading tussen aarde en wolk te groot wordt, wordt de weg met de minste weerstand
gezocht. Hierlangs vloeien elektronen uit het negatieve deel van de wolk naar de
aarde toe: de voorontlading. Wanneer deze op de aarde is aangekomen, volgt
onmiddellijk de echte ontlading: de bliksem. Deze loopt in tegengestelde zin van
de voorontlading en krijgt dus ook de vorm van de voorontlading. Hierdoor
vertoont de bliksem vertakkingen bij de aarde en niet bij de wolk. Dit uiterlijk
kenmerk zorgt ervoor dat vele mensen denken dat de bliksem van de wolk naar de
aarde loopt, terwijl het in 99% van de gevallen feitelijk andersom is (die 1%
vormt de traditionele uitzondering op de regel).
De donder is het
logische gevolg van de bliksem. De lucht rondom de bliksem wordt zo heet dat hij
enorm uitzet, wat niets anders is dan een explosie. Wij horen dit als een daverende donder.
Enkele cijfers
Een onweer kan zeer veel neerslag opleveren: soms meer dan 40 mm. Zeer
uitzonderlijk kan er zelfs meer dan 100 mm uit de lucht komen "donderen". Het
record in België staat al meer dan 40 jaar op naam van het plaatsje Herbestal
(Zuidoost-België): twee onweders op 24 juni 1953 leverden samen 242 mm neerslag
op!
Onweer kan je zelf voorspellen aan de hand van:
- Steeds groter wordende wolken tijdens de namiddag geven tegen de avond
grote kans op onweer.
- Na een hittegolf plotseling een koufront is er grote kans op onweer.
- Zet je radio op de middengolf. Hoe meer gekraak (storingen) je hoort, hoe
actiever en nabijer het onweer.
Verwante links
|