Hoge- en lagedrukgebieden
Het eerste wat je op een weerkaart ziet, zijn de hoge- en lagedrukgebieden.
Meestal gaat een hogedrukgebied gepaard met mooi weer, en een lagedrukgebied met
slecht weer. Rondom deze drukgebieden zijn isobaren getrokken, dit zijn lijnen
van gelijke luchtdruk waarlangs in grote lijnen de wind waait. Op het noordelijk
halfrond draait de wind rond een hogedrukgebied met de wijzers van de klok mee.
Bij een depressie is dit net het omgekeerde, namelijk tegen de wijzers van de
klok in.
Bij een hogedrukgebied zijn ten hoogste lage wolken te vinden, zo'n typisch
mistige wolken die je vaak in de winter ziet als het koud en zwaar bewolkt is
met nauwelijks neerslag. Bij een depressie horen echter fronten. Er zijn drie
fronten. Ten eerste heb je het koufront, dat wordt aangegeven met een lijn
waarop driehoekjes zijn aangebracht. Achter een koufront zit zoals de naam het
zegt koudere lucht. Als een koufront passeert vallen er vaak stevige buien en
ruimt de wind heel wat graden. Voor een koufront uit bevindt zich het
warmtefront. Dit wordt aangegeven met een getrokken lijn waarop bolletjes zijn
aangebracht. Een warmtefront brengt betrokken en miezerig weer met zich mee. In
de winter levert het de vrij zachte motregendagen.
Een koufront beweegt zich sneller dan een warmtefront, en na enige tijd
haalt het koufront het warmtefront in, en ontstaat er een occlusie. Die wordt
getekend door een lijn met daarop afwisselend bolletjes en driehoekjes. Eenmaal
de occlusie ontstaan is, is de depressie voorbij zijn hoogtepunt en begint het
lagedrukgebied op te vullen.
De straalstroom
Ook andere factoren zijn belangrijk bij het analyseren van weerkaarten.
Vooral wat er op enige hoogte in de troposfeer (de onderste 10 km van de
atmosfeer waar al het weer zich afspeelt) gebeurt, is van belang voor de
ontwikkeling van weersystemen. Een heel belangrijk fenomeen is de straalstroom
die zich op ongeveer 5 km hoogte of op het 500 hPa niveau bevindt. Depressies
bewegen zich voort met de straalstroom. Als de straalstroom ten zuiden van
België is, hebben we koud en vrij slecht weer. Als de straalstroom een stuk ten
noorden van België ligt, is het over het algemeen mooi weer omdat alle regen dan
ver ten noorden van ons te vinden is. Hij kan echter ook recht over ons land
gaan, en dan hebben we de ene na de andere regenperiode die ons land overspoelt.
Andere factoren
Andere termen die interessant kunnen zijn, zijn de temperaturen op enige
hoogte. Met die gegevens kan een eerste indruk gegeven worden van de
temperatuursevolutie de komende dagen. Ook de wind op 1500 m op 850 hPa hoogte
is belangrijk. Deze waarde is een goede maat voor de windsnelheid aan de grond.
Een handregel is dat 80% van de snelheid op deze hoogte de windsnelheid boven
zee geeft. De maximale rukwinden boven land zijn meestal gelijk aan de
windsnelheid op 1500 m hoogte.
Ook kaarten waar de vorticiteitsadvecties worden aangegeven, kunnen meteen
toegepast worden voor het weer aan de grond. PVA-gebieden (dus positieve
vorticiteitsgebieden) geven verhoogde onstabiliteit terwijl NVA-gebieden
(negatief) net het omgekeerde doen.
Tot slot zijn er ook neerslagkaartjes te vinden op de links op de Urania-
site. Zo kan je meteen zien of je barbecue al dan niet kan doorgaan. Veel succes
ermee!
|