Volkssterrenwacht Urania De grenzen van het zonnestelsel Waarnemingstoren
  Discussieforum | FAQ | Zoeken | Sitemap | Pagina printen | English | Français
  Startpagina
  Urania
  Kalender
  Cursussen
  Bezoeken
  Astroreizen
  Urania Mobiel
  Astroshop
  Bibliotheek
  Jeugdwerking
  Werkgroepen
 
  Opendeurdagen
  Frank De Winne
  Nieuwsberichten
  Waarnemingsinfo
  Weerbericht
  Nieuwsbrief
  Foto's
  Archief
 
   Zonnestelsel
  Ontstaan
  De zon
  Terrestrische planeten
  Mercurius
  Venus
  De aarde
  De maan
  Mars
  Planetoïden
  Gasreuzen
  Grote manen
  Kleine manen
  Ringen
  Jupiter
  Saturnus
  Uranus
  Neptunus
  De ijsdwergen
  Kometen
  Grenzen
  Sterren
  Sterrenstelsels
  Hemelmechanica
  Heelal
  Ruimtevaart
  Weerkunde
  Telescopen
  Waarnemen
  Adressen in België
  Sterrenwachten
  FAQ
 
  Vraag toegang
  Wachtwoord kwijt?
 

Urania-initialen

Wachtwoord

Login onthouden:
Sterrenkunde > Zonnestelsel > Grenzen
  

De oortwolk

De oortwolk is een immense hoeveelheid komeetkernen die de hele ruimte omheen ons zonnestelsel bevolkt. Mogelijk strekt ze zich zelfs uit tot een afstand van 2 lichtjaar (105 AE) van de zon, dat is bijna halverwege de volgende ster.

Impressie van de oortwolk.

In tegenstelling tot bijna alle andere objecten van het zonnestelsel bevindt de oortwolk zich niet alleen op of in de buurt van het vlak van de ecliptica: het is een echte wolk, helemaal rondom de zon. Dat komt doordat de kometen hier maar weinig ondervinden van de aantrekkingskracht van de zon: hun banen zijn erg onstabiel, zodat ze elkaars zwakke aantrekkingskracht kunnen voelen en zich willekeurig in alle richtingen verspreiden.

Het lijkt erop dat de oortwolk voornamelijk bestaat uit steenklompen die dichter bij de zon werden gevormd, in de buurt van Uranus en Neptunus. Op 105 AE van de zon kan zich immers onmogelijk nog genoeg materiaal in de accretieschijf hebben bevonden om ijsdwergen te vormen, zoals bij de kuipergordel wel het geval is. De oortwolk zou dus bestaan uit planetesimalen die uit het centrum van het zonnestelsel naar buiten toe werden gekatapulteerd. Hun snelheid was echter niet hoog genoeg om aan de zwaartekracht van de zon te ontsnappen, zodat ze in een baan rond het zonnestelsel terecht kwamen.

Dat de oortwolk af en toe kometen terug naar het centrum van het zonnestelsel stuurt, is bekend: doordat de banen van al deze objecten zo onregelmatig zijn, gebeurt het al eens dat één ervan in een baan terecht komt die naar de zon toeloopt.

Oortwolk, bron van catastrofes?

Er zou echter een andere kracht kunnen zijn die de oortwolk af en toe verstoort. Wetenschappers weten al langer dat er in de geschiedenis van de aarde periodes zijn geweest waarin een groot aantal planten- en diersoorten plotseling uitsterven. Het bekendst is het uitsterven van de dinosauriërs op het einde van het Krijt-tijdperk, 65 miljoen jaar geleden. Dit uitsterven werd wellicht veroorzaakt door het inslaan van een gigantische meteoriet. Geologen ontdekten dat er in de afgelopen 250 miljoen jaar een hele cyclus van grote catastrofes is geweest, met een regelmaat van ongeveer 28 miljoen jaar.

Zou de oortwolk om de 28 miljoen jaar een legertje kometen op het centrum van het zonnestelsel afsturen? Het is een mogelijkheid, vooral als je bedenkt dat ons zonnestelsel met een gelijkaardige periode (30 tot 35 miljoen jaar) door het centrale vlak van het melkwegstelsel trekt. De periodes van grote sterfte komen ongeveer overeen met de periode waarin de zon het vlak van het melkwegstelsel passeert. Mogelijk is het dus de versterkte aantrekkingskracht van het melkwegstelsel zelf die de oortwolk verstoort, en eens in de 28 miljoen jaar een kosmisch bombardement veroorzaakt.

Deze hypothese wordt echter niet door alle wetenschappers gesteund. Sommigen stellen dat het effect te klein is om een grote en plotse golf van kometen te veroorzaken. Voorts wijzen ze erop dat maar een kwart van de kometen in het zonnestelsel uit de oortwolk afkomstig is. Maar iedereen geeft toe dat we voorlopig veel te weinig weten van de buitenste grenzen van ons zonnestelsel om een definitief antwoord op dit vraagstuk te kunnen geven.

Ontdekking

Jammer genoeg is er van het bestaan van de oortwolk nog geen direct bewijs: de individuele kometen zijn zo klein en staan zo ver weg dat wij ze onmogelijk kunnen detecteren. Het verhaal van de ontdekking begint met een andere beroemde ontdekking.

In 1705 merkte Edmund Halley op dat er in de geschiedschrijving ongeveer om de 75 jaar gewag wordt gemaakt van het verschijnen van een komeet. Hij leidde daar terecht uit af dat het wel eens telkens om dezelfde komeet zou kunnen gaan en dat sommige kometen bijgevolg een grote baan om de zon beschrijven, die hen na een bepaalde periode terug in de buurt van de aarde bracht. Sindsdien konden astronomen talloze periodieke kometen ontdekken, hun banen berekenen en hun terugkomst nauwgezet voorspellen. Er waren echter ook kometen die niet leken terug te keren: hun banen waren geen gesloten ellipsen, maar open parabolen of hyperbolen. Lang werd aangenomen dat dit kometen waren die uit de interstellaire ruimte kwamen en slechts toevallige voorbijgangers in het zonnestelsel waren.

In 1950 merkte de Nederlandse astronoom Jan Oort echter dat de niet-periodieke kometen eigenlijk wel een gesloten baan hebben, die echter zeer groot is. Al deze kometen bleken afkomstig uit dezelfde omgeving: een gebied op 50 000 AE van de zon. Ze komen dus niet zomaar "uit de ruimte" maar vanuit een geweldig reservoir van kometen op een heel grote afstand rond de zon. Dit reservoir wordt sindsdien de oortwolk genoemd.

De grote planetoide 90377 Sedna, die in 2003 werd ontdekt, zou mogelijk een lid van de oortwolk kunnen zijn. Maar Sedna is veel groter, en ligt veel dichter, dan wat de theorieën ons vertellen over de oortwolk. Misschien is de oortwolk dus toch anders dan wij ons voorstellen. Of misschien is Sedna gewoon een lid van de familie der ijsdwergen die verder ligt dan verwacht.

Massa

Wetenschappers berekenden dat de oortwolk wel een biljoen (1 000 000 000 000) kometen kan bevatten, waarvan er minstens 35 000 groter zouden zijn dan 100 km. Daarmee zou de oortwolk veel meer massa bevatten dan de planetoïdengordel, en misschien zelfs evenveel als Jupiter. Recente berekeningen en computersimulaties van het vroege zonnestelsel lijken er echter op te wijzen dat de oortwolk helemaal niet zoveel massa heeft: de meeste planetesimalen uit het begin van het zonnestelsel zouden niet naar buiten maar naar binnen geslingerd zijn, waar ze in de zon terechtkwamen. Daardoor zou de oortwolk vooral bestaan uit kleinere objecten, en in totaal niet meer dan 2 aardmassa's bedragen.

De heliopauze

De oortwolk toont dat er zelfs op enorme afstanden van de zon nog objecten rondzweven die onder invloed staan van de zwaartekracht van onze zon. Die zwaartekracht is niet iets dat zomaar ophoudt: ze wordt steeds kleiner naarmate we van de zon wegbewegen, maar er is geen moment waarop je een echte grens kan stellen. Waar eindigt het zonnestelsel dan wel?

Het antwoord komt misschien van de Voyager-ruimtesondes, die na de buitenste planeten van het zonnestelsel verkend te hebben nog steeds verder reizen, de interstellaire ruimte tegemoet. In 1992 voelden beide ruimtetuigen, op een enorme afstand van elkaar, een soort van schokgolf. Na berekeningen ontdekten astronomen dat deze schokgolf de weerkaatsing was van een eerdere schokgolf, die een jaar eerder door de zon was uitgestuurd: een plotse enorme toename van de zonnewind.

Men gaat er nu van uit dat die uitbarsting op een bepaald moment ergens is tegengebotst, en dat de Voyagers die weerkaatsing hebben gemeten. Die "muur" waartegen de schokgolf is gebotst, is de heliopauze: het einde van de invloedssfeer van de zon, en dus ook de grens van ons zonnestelsel. Op die plaats ontmoet de zonnewind het interstellaire medium, de bijna-lege ruimte tussen de sterren. Die is niet helemaal leeg: net zoals de zonnewind de interplanetaire ruimte opvult, is er ook in de interstellaire ruimte een soort van wind, bestaande uit een stroom van kleine deeltjes. De heliopauze is dus de plaats waar de zonnewind zo zwak is dat ze door de wind van het interstellaire medium wordt gestopt. Dat gebeurt op ongeveer 145 AE van de zon.

Schema van de heliopauze.

De Voyager 1, die nu al tot op een goeie 75 AE van de zon gereisd is, lijkt sinds augustus 2005 in de heliopauze gekomen te zijn: de sonde ontmoet regelmatig plotse veranderingen in de snelheid van de zonnewind, in de magnetische veldsterkte en in het aantal kosmische stralingsdeeltjes. Vele metingen komen echter niet overeen met de bestaande theorieën: de heliopauze is duidelijk ingewikkelder dan werd aangenomen. De huidige modellen geven aan dat deze overgangszone aan de grens van het zonnestelsel zo'n 40 AE dik is, wat wil zeggen dat de Voyager 1 nog tien jaar in deze omgeving zal vertoeven alvorens echt in de interstellaire ruimte terecht te komen.

Verwante links

  • Mogelijk zijn de komeetkernen in de oortwolk ontstaan als kuiperobjecten.
  • De oortwolk is een grote bron van kometen.
  • Is iets onduidelijk? Heb je een fout gevonden? Mail ons!