|
Elke gasplaneet heeft een uitgebreide familie kleine maantjes.
Die omcirkelen hun planeet zoals de planeten dat met de zon doen. De kleine maantjes
zijn geen saaie dode steen- of ijsklompen, zoals wetenschappers vroeger
dachten. De foto's van de Voyager-ruimtesondes toonden dat elk maantje
een heel erg specifiek uiterlijk heeft. Daardoor zijn ze onschatbare
hulpmiddelen om de geschiedenis van ons zonnestelsel
verder te onderzoeken.
De grote manen van de gasreuzen bespreken we op een andere bladzijde.
Hier richten we onze aandacht op regelmatige kleine maantjes,
onregelmatige kleine maantjes en
herdermaantjes.
Regelmatige kleine maantjes
Ontstaan
Het is duidelijk dat de regelmatige kleine maantjes bij hun planeet horen:
ze draaien in het baanvlak van de planeet en hebben vaak een gekoppelde rotatie.
Daaruit kunnen we afleiden dat ze uit dezelfde protoplanetaire nevel zijn gevormd.
Na de vorming van de planeet bleef er nog een wolk van het oorspronkelijke gas
achter, te vergelijken met de zonnenevel. Uit deze gaswolk ontstonden de kleine
maantjes, op dezelfde manier als de planeet ontstond uit de zonnenevel: langzaam
klonterde het materiaal meer en meer samen rond onregelmatigheden. De kleine
proto-satellieten, te vergelijken met protoplaneten en planetesimalen,
klonterden in de volgende miljoenen jaren samen tot de huidige
satellieten.
Wanneer we de groottes van de regelmatige satellieten bekijken, valt op
dat Jupiter vier grote manen
heeft, en Saturnus maar één (Titan). Dat komt
vermoedelijk doordat Jupiter vier keer zwaarder is dan Saturnus,
waardoor ze een grotere hoeveelheid gas uit de zonnenevel naar zich toe
kon trekken. Het materiaal rond Saturnus werd dan weer verdeeld over een
groot aantal kleinere maantjes: Titan is er niet in geslaagd al het
materiaal uit de protosatellietschijf naar zich toe te trekken, maar
verhinderde wel dat er zich een tweede grote maan vormde.
Ook bij Jupiter werd het overblijvende materiaal tot een klein maantje
samengedrukt: het mini-maantje Amalthea,
dat binnen de baan van Io ligt.
De vier grote satellieten van Jupiter hebben echter de vorming van
kleinere ijsmaantjes rond de planeet onmogelijk gemaakt.
Het geval van Neptunus, met de maan
Triton, doet in deze
redenering niet terzake aangezien Triton een ingevangen maan is,
en niet samen met Neptunus ontstaan is.
IJsmanen
De meeste van de regelmatige maantjes zijn ijsmaantjes. IJs (water, methaan en
ammoniak) is immers de stof die in dit gebied van het zonnestelsel het meest voorhanden
was, en waaruit ook de gasreuzen voor een groot deel bestaan (Uranus en Neptunus worden
daarom ook wel eens ijsreuzen genoemd). Ook vele grote manen zijn ijsmanen: Io
en Europa bestaan grotendeels uit steen, maar Ganymedes en Callisto bestaan vooral uit
waterijs. Titan bestaat waarschijnlijk uit een mengsel van waterijs en methaanijs in
verschillende verbindingen.
De regelmatige kleine maantjes van Jupiter
Zoals hierboven aangegeven, heeft Jupiter enkel een viertal grote manen, en
een reeks mini-maantjes. Kleine
regelmatige maantjes kregen in het Jupiterstelsel geen kans om zich te
vormen.
De regelmatige kleine maantjes van Saturnus
Saturnus heeft zes kleine regelmatige satellieten, ruwweg onder te
verdelen in drie groepen van ongeveer 500 km, ongeveer 1 000 km en
ongeveer 1 500 km groot.
| Satelliet | |
Diameter | |
Dichtheid | |
Albedo |
| Mimas | |
398 km | |
1,1 g/cm³ | |
0,8 |
| Enceladus |
|
498 km | |
1,0 g/cm³ | |
1,0 |
| Tethys | |
1 060 km | |
1,0 g/cm³ | |
0,8 |
| Dione | |
1 120 km | |
1,4 g/cm³ | |
0,6 |
| Rhea | |
1 525 km | |
1,2 g/cm³ | |
0,7 |
| Japetus | |
1 440 km | |
1,0 g/cm³ | |
0,04 - 0,5 |
De kleine regelmatige maantjes van Saturnus.
Opgelet! Deze tabel bevat
geen kleinere en grotere maantjes!
Mimas
Het oppervlak van Mimas is erg bekraterd. De meeste kraters zijn niet
groter dan 30 km, met als opvallende uitzondering de krater Herschel,
die met 100 km overeenkomt met de kraters Copernicus of Tycho op
onze maan. Voor zo'n klein maantje als Mimas moet
de inslag die een krater, zo gigantisch als Herschel, veroorzaakt heeft
echter haast katastrofaal zijn geweest. Een iets
grotere impact, en Mimas was wellicht uit elkaar gespat.
  Twee beelden van Saturnus-maan Mimas. [Foto's: JPL]
Mimas bestaat grotendeels uit schoon waterijs, zowel inwendig als aan
het oppervlak. Zoals te verwachten was, is Mimas al zeer lang afgekoeld.
Het hoge aantal kraters toont aan dat het oppervlak van de maan al heel
oud is.
Enceladus
De foto's die Voyager ons van Enceladus doorzond, waren bijzonder
verrassend. Het oppervlak van deze maan is, in tegenstelling tot dat van
Mimas en de andere Saturnusmaantjes, relatief ongeschonden en dus nog
vrij jong. Er zijn grote kratervrije vlakten die een rillenpatroon
vertonen dat doet denken aan de uitvloeiingspatronen zoals die te zien
zijn op Europa en de aardse
middenatlantische rug.
De enige mogelijke conclusie is dat Enceladus op dit moment nog steeds
geologisch actief is. De lijnstructuren duiden op tektonische
activiteit, en er zijn aanwijzingen van actief vulkanisme. Deze vulkanische
activiteit zou eveneens verklaren waarom Enceladus zo helder is:
het oppervlak van de maan is het meest reflecterende van alle
oppervlakten in het zonnestelsel. In tegenstelling tot de andere
Saturnusmaantjes, die een oppervlak van licht vervuild ijs hebben,
zou het ijs op Enceladus helemaal schoon zijn, en dus recentelijk
vers uit het inwendige van de satelliet naar boven gebracht.
Het vulkanisme van Enceladus wordt, net zoals dat op Io, verklaard door
de getijdenkracht van de moederplaneet. De baan van Enceladus is licht
excentrisch (een afwijking van 0,005) waardoor het inwendige van de
satelliet voortdurend gekneed wordt en de kans niet krijgt om te
bevriezen. Mimas, wiens baan dichter bij
Saturnus ligt maar niet excentrisch is, is wel volledig bevroren.
Tethys en Dione

Saturnusmanen Tethys (links) en Dione (rechts). [Foto's: JPL]
De maan Tethys is meer dan dubbel zo groot als Mimas, maar vertoont
eveneens een karakteristiek groot inslagbekken, Odysseus genoemd.
Odysseus is 400 km groot, bijna zo groot als heel Mimas dus. Het
halfrond van Tethys waarop Odysseus ligt, is zwaar bekraterd. Op het
andere halfrond vinden we een grote vlakte met minder en kleinere
kraters. Over het zwaarbekraterde terrein loopt ook een groevenstelsel,
Ithaca Chasma genoemd. Ithaca Chasma is 100 km breed en meer dan 500 km
lang, en op verschillende plaatsen wellicht enkele kilometers diep.
Aangezien deze breuklijn min of meer concentrisch met Odysseus ligt, is
ze wellicht samen met de inslagkrater ontstaan.
Net als Tethys is Dione grotendeels zwaar bekraterd, met enkele jongere,
vlakkere gebieden. Deze zijn op Dione echter groter, en bevatten een
aantal kloven die doen denken aan gelijkaardige structuren in de maria
op onze maan.
Wetenschappers gaan ervan uit dat de jongere vlakken op Tethys en Dione
op vulkanische wijze zijn ontstaan, vergelijkbaar met de maria op de
maan. In het geval van de ijsmaantjes hebben we dan niet te maken met
gesmolten gesteente, maar een mengsel van gesmolten ammoniak en water.
Wetenschappers vermoeden dat het om ammoniak gaat, omdat deze stof zou
verklaren waarom het water bij een temperatuur van ongeveer -100 °C
nog vloeibaar is: ammoniak wordt immers ook gebruikt als antivries. Deze
ammoniak-oplossing is lichter dan het zuivere ijs dat het grootste deel
van Tethys en Dione uitmaakt, en kruipt dus naar het oppervlak waar het
als een soort van ijsvulkaan kan uitbarsten. De oplossing is niet zo vloeibaar
als het water en de ammoniak die we hier op aarde kennen: ze is zeer
geconcentreerd en daardoor dik, en nog het best te vergelijken met
aardse lava.
Rhea
Als al deze relatief kleine werelden al zo divers zijn, dachten
wetenschappers, dan zal de maan Rhea, die nog eens een klasse groter is,
ongetwijfeld bijzonder interessant zijn. De gedetailleerde foto's die
Voyager terugstuurde waren echter een teleurstelling: het oppervlak van
Rhea is - voor zover Voyager het kon fotograferen - volledig met
kraters bedekt, en vertoont nauwelijks een spoor van geologische
activiteit.
De enige opvallende kenmerken zijn grote rillen, die erop wijzen dat
Rhea bij het afkoelen inkromp, zodat de buitenste lagen aan de
oppervlakte een beetje verrimpelden. Deze inkrimping zou dan meteen alle
vormen van vulkanisme uitsluiten, want daardoor werd de mantel zo hard
samengeperst dat deze ondoordringbaar werd.
Hoe teleurstellend de eindeloze hoeveelheid kraters ook mocht zijn, toch
konden wetenschappers ook hieruit iets afleiden. Op het oppervlak van
Rhea zijn twee verschillende soorten kraters te onderscheiden, waarvan
de jongste soort steeds kleiner is dan 20 km. De andere, oudere kraters
zijn meestal groter. De theorie luidt dat de kleine jonge kraters
veroorzaakt zijn door materiaal afkomstig is van fragmenten van een
andere satelliet die bij een botsing geheel of gedeeltelijk uit elkaar
zou zijn gespat.
De meest waarschijnlijke kandidaat is de maan Hyperion, die met ongeveer
330 km bij 260 km de grootste onregelmatig gevormde satelliet van het
zonnestelsel is. Bij zo'n afmetingen zou de satelliet normaal gezien
bolvormig moeten zijn. De enige mogelijke verklaring is dat Hyperion een
botsing heeft meegemaakt, waarbij het maantje een groot aantal
brokstukken kwijtraakte. Dat verklaart meteen ook de vrij chaotische,
tuimelende baan van de satelliet. Dat dergelijke botsingen inderdaad
voorkomen, bewijzen de inslagsporen op de maantjes Mimas en Tethys, die
de klap wel overleefden.
Japetus
Het buitenste van de regelmatige maantjes van Saturnus, Japetus, werd al
in 1671 door Jean-Dominique Cassini ontdekt. Die merkte op dat de
satelliet opvallend verhelderde en verduisterde in zijn baan om de
planeet. Dit viel niet door schijngestalten te verklaren (aangezien
maantjes van buitenplaneten vanop de aarde gezien haast altijd door de
zon beschenen worden, tenzij ze verduisterd worden door de schaduw van
hun planeet). Cassini dacht dat, als het maantje in een gekoppelde
rotatie met Saturnus zat, wat heel waarschijnlijk was, haar ene kant
veel donkerder zou moeten zijn dan haar andere kant.
De foto's die Voyager van Japetus terugstuurde, bevestigden deze
driehonderd jaar oude theorie: Japetus bestaat uit twee helften, waarvan
de ene opvallend helder is en de andere opvallend donker. Het heldere
terrein, dat de volgende kant van de satelliet omvat (dus de helft die
in de baan om de planeet steeds achteraan zit), is zwaar bekraterd en
lijkt daarmee erg op het oppervlak van Rhea. Het donkere terrein, dat
tien keer minder licht reflecteert dan het lichte terrein, omvat een
gedeelte van de leidende helft (dus de helft die in de baan vooraan
zit).
Al snel kwamen wetenschappers met een verklaring voor dit bizarre
fenomeen: de leidende helft van Japetus wordt voortdurend vervuild door
interplanetair stof dat de satelliet opveegt bij zijn baan rond
Saturnus. Een beetje zoals de voorruit van een auto, die veel sneller
vuil wordt dan de achterruit. Bovendien toont het bestaan van witte
vlekken in het zwarte deel aan, dat het wellicht om een vrij dunne laag
materiaal gaat die door grotere meteorietinslagen gemakkelijk doorboord
kan worden.
De oorsprong van het zwarte materiaal is voorlopig nog een raadsel. Eén
hypothese stelt dat het materiaal afkomstig is van de maan Phoebe, een
ingevangen kleine en onregelmatige satelliet van Saturnus die inderdaad
opvallend donker is. Het probleem met deze theorie is echter dat het
materiaal van Phoebe zwart is, terwijl het donkere materiaal op Japetus
eerder roodachtig van kleur is. Donkerrood materiaal is in het
zonnestelsel echter wel op een aantal andere plaatsen te vinden, onder
andere op kometen en een aantal
planetoïden. Waarom het dan op Japetus
zo duidelijk aanwezig is, kan deze theorie niet verklaren. Een
derde hypothese luidt dat het materiaal uit de maan zelf afkomstig is.
Net zoals Titan, die niet zover van Japetus afstaat, zou de satelliet in
zijn inwendige een hoeveelheid roodachtig methaan (CH4) bevatten. Dit
methaan zou dan uit de mantel naar de oppervlakte komen wanneer de korst
van Japetus wordt opgewarmd door het donkere, inslaande gruis afkomstig
van Phoebe, dat we in de eerste hypothese reeds tegenkwamen. Zo zou
de donkerrode kleur dus verklaard kunnen worden. Het antwoord zullen we
pas kunnen ontdekken met de aankomst van Cassini in het Saturnusstelsel.
De regelmatige kleine maantjes van Uranus
| Satelliet | |
Diameter | |
Dichtheid | |
Albedo |
| Miranda | |
472 km | |
1,2 g/cm³ | |
0,3 |
| Ariël | |
1 158 km | |
1,7 g/cm³ | |
0,4 |
| Umbriël | |
1 170 km | |
1,4 g/cm³ | |
0,2 |
| Titania | |
1 580 km | |
1,7 g/cm³ | |
0,3 |
| Oberon | |
1 525 km | |
1,6 g/cm³ | |
0,2 |
De kleine regelmatige maantjes van Uranus. Opgelet! Deze tabel
bevat geen kleinere maantjes!
De vijf regelmatige satellietjes van Uranus
lijken bij een eerste overzicht allemaal sterk op elkaar, en op de
kleine ijsmaantjes van Saturnus. Op de kleinste maan
Miranda na, die in 1948 door Gerard Kuiper
ontdekt werd, zijn ze onderling ook min of meer vergelijkbaar qua grootte en
soortelijk gewicht. Dat soortelijk gewicht is echter groter dan bij de
maantjes van Saturnus, wat betekent dat de maantjes van Uranus veel
steen bevatten, in tegenstelling tot die van Saturnus die voornamelijk
uit ijs bestaan.
Hoe komt het dat deze ijsmaantjes zo weinig ijs bevatten? Wellicht had
de protoplanetaire gasschijf rond Uranus oorspronkelijk evenveel ijs als
die rond Saturnus. Het ijs is mogelijk uit die protoplanetaire schijf
verdwenen door een geweldige botsing van Uranus met een andere grote
protoplaneet. Deze enorme inslag zou dan ook verklaren waarom Uranus en
het baanvlak van zijn maantjes bijna dwars op het vlak van het
zonnestelsel staan.
Door die gekantelde as van Uranus was het voor de Voyager 2-sonde ook
onmogelijk om de maantjes van deze planeet van even nabij te bestuderen
als ze dat bij Jupiter en Saturnus hadden kunnen doen. Enkel de kleinere
Miranda werd uitgebreid gefotografeerd. Tijdens de passage ontdekte
Voyager 2 wel nog eens tien extra mini-satellietjes.
Miranda
Het binnenste en kleinste maantje van Uranus, Miranda, is het enige waar
Voyager dicht genoeg bij in de buurt kwam om degelijke foto's te nemen.
Die foto's tonen een onnoemelijk bizar landschap. Twee totaal
verschillende terreintypes zijn op het oppervlak van Miranda te zien.
Het grootste deel van het oppervlak van de maan is bedekt met helder,
bekraterd gebied met golvende heuvels. Dit type terrein doet erg denken
aan dat van de oudere bergen op onze eigen maan.

Uranus-maan Miranda, gezien door Voyager 2. [Foto: JPL]
Bovenop dit vrij normale kraterterrein liggen echter drie grote donkere
structuren, die coronae genoemd worden. Deze coronae behoren tot de
meest bizarre terreintypes van het zonnestelsel, en zijn met geen enkele
andere geologische formatie te vergelijken. De coronae zijn rechthoekig
van vorm, en bedekt met evenwijdige groeven.
Een eerste theorie over het ontstaan van deze coronae luidde dat ze
het bewijs waren dat Miranda in zijn verleden door een zware inslag
uit elkaar was geslagen, waarbij de brokstukken terug samenklonterden om
het maantje opnieuw te vormen. De coronae zouden dan brokstukken uit de
kern van de maan zijn, die bij het samenklonteren aan de oppervlakte
terecht kwamen. Deze theorie past echter niet bij de waarnemingen.
Uitgebreid onderzoek van de Voyager-foto's heeft wetenschappers doen
besluiten dat de coronae van vulkanische oorsprong zijn. We zijn op
Miranda getuigen van een uitgebreide vernieuwing van het volledige
oppervlak van de maan: onder invloed van de getijden begon het inwendige
van de satelliet op te warmen en door scheuren in de korst naar de
oppervlakte te vloeien. De getijden werden opgewekt door de gekoppelde
rotatie met de maantjes Umbriël en
Ariël, maar in de loop van de tijden
is de baan van Miranda veranderd zodat deze getijdenwerking werd
stopgezet vooraleer het volledige oppervlak van de maan vernieuwd was
met vers uitstromend ijs. Miranda is daarmee een belangrijke getuige van
een actief geologisch verleden dat, in tegenstelling tot andere
satellieten, nooit helemaal voltooid is geraakt.
Ariël
Ook Ariël toont sporen van een zeer actief geologisch verleden.
Kratervlakken worden er doorgroefd door een immens wereldomvattend
stelsel van diepe, hoekige canyons die een minder ontwikkelde vorm van
de coronae van Miranda zijn. In de canyons en op sommige vlakken zien we
jonger, vlak en ongeschonden materiaal dat door de scheuren in de bodem
naar boven opwelde. Ook de helderheid van het oppervlak geeft aan dat
het om vrij jong, onvervuild materiaal gaat.
Een dergelijke geologische activiteit op zo'n kleine wereld
veronderstelt dat er een vorm van opwarming door getijdenkracht geweest
moet zijn, zoals we die ook zien bij Io
en Enceladus. Die getijdenkracht
is op dit moment onbestaande, maar berekeningen leren dat Ariël vroeger
wellicht een gekoppelde rotatie met Umbriël en
Titania had, waardoor het
inwendige van de maan voortdurend uitgebreid gekneed werd. Daardoor
warmde het materiaal in het inwendige op, zette het uit en brak het door
het oppervlak.
Umbriël
Het weinige detail dat we op de wazige foto's van Umbriël kunnen
waarnemen, toont ons een zwaar bekraterde wereld met nauwelijks sporen
van geologische activiteit. In dat opzicht is de maan te vergelijken met
Rhea.
Het oppervlak van Umbriël is erg donker, met als enige uitzondering een
krater op de evenaar die een witte bodem heeft. Vermoedelijk gaat het om
gecondenseerde en bevroren gassen: door de helling van 90° van de as van
het Uranus-stelsel ten opzichte van het zonnestelsel is het de evenaar
die op deze maantjes het koudst is!
  
De Uranus-manen Umbriël, Titania en Oberon. [Foto's: JPL]
Titania
Het oppervlak van Titania wordt doorgroefd door een aantal zeer grote
canyons, duizend kilometer lang, honderden kilometers breed en tot
enkele kilometers diep. Zoals bij andere oppervlaktescheuren wijst dit
op een inkrimpen van de korst, of eventueel het uitzetten van het
inwendige van de maan.
Op een paar grote inslagbekkens na zijn de meeste kraters op Titania
relatief klein, wat erop wijst dat het oppervlak in het verleden ooit is
hernieuwd, waarbij oudere, grote kraters grotendeels verdwenen.
Oberon
Op de wazige foto's die Voyager van het oppervlak van Oberon
terugstuurde, zien we vooral veel kraters. Enkele daarvan vertonen
lichtere ejecta, en anderen bestaan uit eerder donkere vlekken. Het
leidende halfrond van Oberon is lichtjes roodachtig gekleurd, wellicht
door het opvangen van stofmateriaal van twee verder gelegen minimaantjes.
De regelmatige kleine maantjes van Neptunus
| Satelliet | |
Diameter | |
Dichtheid | |
Albedo |
| Proteus | |
420 km | |
? | |
0,07 |
| Nereïde | |
340 km | |
? | |
0,2 |
De regelmatige maantjes van Neptunus.
Opgelet! Deze tabel bevat geen kleinere en grotere maantjes!
In tegenstelling tot Jupiter,
Saturnus en Uranus
heeft Neptunus geen
uitgebreid stelsel van kleine regelmatige maantjes. Naast
Triton, dat
vermoedelijk een Kuiperobject is,
vinden we Proteus en Nereïde, die
allebei erg klein zijn. Daarbuiten ontdekte Voyager 2 nog vijf andere
mini-satellietjes in een baan zeer dicht bij de planeet.
Vermoedelijk
had Neptunus vroeger ook een familie van maantjes zoals de andere
gasreuzen. Deze zijn echter in het verleden uit hun baan geworpen door
Triton, een ingevangen object afkomstig uit een ander gebied van het
zonnestelsel. Enkel de binnenste, kleine maantjes bleven buiten het
bereik van deze indringer.
 
Neptunus-manen Proteus en Nereïde. [Foto's: JPL]
Proteus
Proteus is de grootste van deze binnenste kleine maantjes, en is te
vergelijken met Mimas en
Miranda qua grootte en afstand tot de planeet.
Op de kleine, vage foto die we van dit maantje hebben valt meteen op dat
het niet helemaal rond is en dat het zwaar bekraterd is. Voor zover we
kunnen zien is er nauwelijks geologische activiteit op Proteus geweest.
Nereïde
De iets grotere buitenste maan Nereïde is door Voyager 2 niet duidelijk
gefotografeerd. De meningen over deze maan zijn verdeeld: sommige
theorieën luidden dat het net als Triton een ingevangen object is. Andere
wetenschappers nemen aan dat Nereïde een oorspronkelijke satelliet van Neptunus
is, die na de ravage aangericht door de komst van Triton op een andere baan
terecht kwam.
Onregelmatige maantjes
Buiten de grote en de kleine manen van de planeten die duidelijk een
deel uitmaken van het planetenstelsel waartoe ze behoren, en die daarom regelmatige satellieten
worden genoemd, zijn er nog een hele hoop onregelmatige maantjes. Deze
wijken in grootte, beweging en oorsprong af van het normale patroon.
De enige minimaantjes van Jupiter waarvan het oppervlak werd
gefotografeerd: Metis, Adrastea, Amalthea en Thebe. [Foto's:
JPL]
De meeste zijn kleiner dan 400 km en daardoor niet rond: 400 km is
ongeveer de grens waarbij de zwaartekracht zo sterk op het hemellichaam
begint in te werken dat het een min of meer perfecte bolvorm zal
aannemen, waarbij al het materiaal op een ideale manier gespreid wordt.
Vele van deze onregelmatige satellieten liggen ook niet, zoals hun
regelmatige broers, in het baanvlak van de planeet. Sterker zelfs:
ongeveer de helft van deze maantjes beweegt zich tegen de planeet in, in
een retrograde beweging. Dat geeft al aan dat ze niet oorspronkelijk in
het planetenstelsel zijn geboren: de regelmatige satellieten, die samen
met de planeet ontstonden, delen namelijk hetzelfde draaimoment en
draaien dus op dezelfde manier als hun planeet.
De enige minimaantjes van Saturnus waarvan het oppervlak werd
gefotografeerd.
Bovenste rij, van links naar rechts:
Atlas,
Prometheus,
Pandora,
Epimetheus en
Janus. Onderste rij van links naar rechts:
Telesto,
Calypso,
Helene,
Hyperion en
Phoebe.
[Foto's: JPL]
Het gaat dus om objecten die van elders afkomstig zijn, en die door de
planeet zijn ingevangen toen ze deze passeerden in hun reis door het
zonnestelsel. Oorspronkelijk waren ze dus geen maantjes, maar
planetoïden of kuiperobjecten.
De enige minimaantjes van Neptunus waarvan het oppervlak werd
gefotografeerd: Thalassa, Despina, Galatea en Larissa.
Zo lijken de maantjes van de planeet Mars, Phobos en Deimos, qua helderheid en kleur
erg op de Trojanen, planetoïden die een baan met Jupiter delen.

De Mars-maantjes Phobos (links) en Deimos (rechts). [Foto's: JPL]
Andere maantjes zijn mogelijk overgebleven planetesimalen, die in de
periode onmiddellijk na de vorming van de planeten uit hun banen werden
geslingerd. Sommige daarvan verhuisden naar de oortwolk of de
kuipergordel, anderen kwamen in de zon terecht of botsten op een
planeet, en enkelen kwamen in een baan om een planeet terecht. Deze theorie is
echter moeilijk te ondersteunen met directe bewijzen. De
maantjes in kwestie zijn vaak zo klein en zo donker dat we nauwelijks
weten hoe ze eruit zien. In sommige gevallen is hun exacte grootte zelfs
niet eens bekend.
Van de grote Neptunusmaan Triton
vermoeden we dat ze afkomstig is uit de kuipergordel. Ook andere maantjes
zijn mogelijk kuiperobjecten: de Saturnusmaan Phoebe
lijkt voor zover we weten erg op de Centaur Chiron.
Ook Chiron komt op zijn baan erg dicht in de buurt van Saturnus.
Elk jaar ontdekken wetenschappers wel nieuwe kleine maantjes, hetzij op
de foto's van de Voyager ruimtesondes, hetzij door waarnemingen met
steeds betere aardse instrumenten.
Herdermaantjes
De ruimteverkenners ontdekten bij hun bezoek aan de gasplaneten ook een
tot dan toe volledig onbekende familie van maantjes, die zich heel dicht
bij het oppervlak van de planeten ophouden, in het vlak van de ringen.
Het gaat om de herdermaantjes die ervoor zorgen dat de ringen hun vorm
kunnen behouden.

De Saturnusmaantjes Prometheus en Pandora zijn herdermaantjes van de
F-ring.
Deze herdermaantjes zijn wellicht geen ingevangen planetoïden, maar
werden samen met de planeet gevormd. Het zijn dus eigenlijk regelmatige
satellieten. Onregelmatige satellieten die in het baanvlak van de ringen
terecht komen kunnen echter ook herdermaantjes worden.
De kans is groot dat deze maantjes niet alleen de ringen begeleiden
(vandaar de naam herdermaantjes), maar ze bovendien voortdurend
aanvullen met stof, veroorzaakt door het continue bombardement van de
maantjes met micrometeorieten. Deze kleine maantjes worden soms ook
mooms genoemd, en ze variëren in grootte van enkele tientallen
meters tot enkele kilometers.
Uitgebreidere ringen, zoals die van Saturnus, zouden dan weer afkomstig
zijn van het volledig uiteenspatten van een maantje.
Verwante links
|