|
Toen Galileo Galileï in 1610 zijn telescoopje op
Saturnus richtte, wist
hij niet wat hij zag. Aanvankelijk meende hij dat het om twee grote
manen ging, maar twee jaar later dacht hij dat het een soort van armen
waren. Het was Huygens die in 1659 doorhad dat het om ringen ging.
Sindsdien vroegen wetenschappers zich af hoe die ringen daar dan wel
kwamen, en hoe het kwam dat alleen Saturnus ringen had.
Pas aan het einde van de 20ste eeuw werden nieuwe ringen ontdekt: in
1977 merkten wetenschappers die een sterbedekking door
Uranus waarnamen,
dat de planeet 9 dunne ringen had. Twee jaar later fotografeerde de
Voyager 1
een smalle band rond Jupiter, en in
de jaren '80 werden ook rond Neptunus
onvolledige ringbogen ontdekt. Alle vier de grote
gasplaneten bezitten dus een ringenstelsel,
maar daarmee zijn de vragen
omtrent de aard en de oorsprong ervan nog niet opgelost. Toch hebben
waarnemingen en computermodellen ons de laatste jaren al heel wat
bijgeleerd.
Ontstaan en ontwikkeling
In 1857 toonde Maxwell aan dat de ringen van Saturnus (en dus ook die
van de andere planeten) uit stofdeeltjes moesten bestaan. Voorheen
hadden ondermeer Laplace en Cassini zich afgevraagd of het eventueel om
vaste platen of zelfs vloeistoffen ging. Maxwell toonde aan dat een wolk
van minuscule stofdeeltjes die om een planeet draaien, na verloop van
tijd een ring gaan vormen.
Oorsprong
Er zijn sinds de ontdekking van de ringen van Saturnus twee
verschillende theorieën geformuleerd over de oorsprong van het materiaal
dat ringen om een planeet vormt. In de 19de eeuw stelde Edouard Roche
voor dat het om het puin van uiteengerukte manen ging. Roche had
berekend dat er een bepaalde grens is in de omgeving van een planeet, de
Roche-limiet, waarbinnen satellieten door de getijdenkracht uiteen
gerukt zullen worden. Sommige van de ringen liggen echter buiten de
Roche-limiet. De lotgevallen van de komeet Shoemaker-Levy 9 toonden aan
dat het niet noodzakelijk alleen planetaire manen zijn die fragmenteren.
Deze theorie heeft als gevolg dat er zich rond alle hemellichamen ringen kunnen vormen.
Mogelijk hadden of hebben Venus,
Mars, de aarde,
of zelfs de zon zeer
dunne ringen! De kans is groot dat Mars in de toekomst ook een zeer
zwakke ring krijgt, wanneer de ingevangen planetoïde Phobos, die steeds
dichter naar de planeet toezweeft, binnen de Roche-limiet terecht komt.
Een andere mogelijkheid is dat die ring zelfs al bestaat, opgebouwd uit
stof afkomstig van Phobos en Deimos. Een maan hoeft natuurlijk niet
binnen de Roche-limiet te komen om te verbrokkelen. Ook botsingen en
inslagen kunnen haar uiteenrukken tot puinfragmenten.
Een tweede theorie omtrent de oorsprong van de ringen werd in de 18e
eeuw geformuleerd door Laplace. Hij dacht dat de ringen van Saturnus
samen met de maantjes van de planeet waren gevormd uit de
protoplanetaire nevel. In de buitenste zone van die
protoplanetaire
nevel ontstaan rond onregelmatigheden grote gasvormige protoplaneten met
om zich heen een schijf van materiaal. Deze theorie wordt ondersteund
door het feit dat enkel de gasplaneten ringenstelsels lijken te hebben.
Beide theorieën
zijn nog onbevredigend. De theorie dat de ringen uit de
protoplanetaire nevel werd gevormd samen met de planeet, wordt
ontkracht door berekeningen die stellen dat de ringen niet veel ouder dan
enkele 100 miljoen jaar kunnen zijn. Als ze echter zo recent zijn
ontstaan door gigantische botsingen van manen, klopt dit niet met
onze modellen over de geschiedenis van het zonnestelsel: in die
recente periode zijn er nauwelijks aanwijzingen voor dergelijke
grootschalige en wijdverspreide catastrofes.
Vorming van de ringen
Het Laplace-vlak
Een wolk van deeltjes die omheen een planeet zweven is niet
stabiel: de baan van elk deeltje afzonderlijk kan veranderen onder
invloed van manen of andere planeten. Daardoor botsen deze deeltjes vaak
op elkaar wanneer hun banen elkaar kruisen. Bij zo'n botsing zal de
excentriciteit van hun baan verminderen, en komen ze dichter bij een
gemeenschappelijk baanvlak te liggen: het Laplace-vlak. Dit Laplace-vlak
ligt min of meer op de equator van de planeet, maar kan onder invloed
van een nabije maan worden omgebogen. Bij de meeste planeten bedraagt
deze ombuiging nooit meer dan 1 km, maar bij Neptunus is het
Laplace-vlak aan de buitenkant 200 km vervormd door de grote maan
Triton.
De Keplerscheuring
Er is nog een tweede effect aan de gang, dat er voor zorgt dat de ringen
rond de planeet zeer dun worden en zich geleidelijk gaan uitbreiden: de
Keplerscheuring.
Deeltjes die dichter bij de planeet zweven, bewegen sneller dan deeltjes
die verder weg liggen, zoals de derde wet van Kepler aangeeft. Daardoor
zullen deeltjes elkaar soms inhalen. Wanneer een lager, sneller deeltje
een verder, trager deeltje inhaalt en ertegen botst, verliest het
snelheid. Daardoor zal het dichter bij de planeet terecht komen. Het
andere deeltje, dat in de rug wordt geduwd, zal snelheid winnen en
daardoor verder van de planeet wegvliegen. Op die manier zullen de
ringen geleidelijk verder en verder uitdunnen naar binnen en naar buiten
toe, en steeds breder worden. Bij Jupiter en
Saturnus vervagen de ringen
inderdaad, zonder een scherpe grens te hebben.
Scheidingen
Wanneer alle deeltjes min of meer in het Laplace-vlak zijn samengekomen,
vormen ze in theorie een mooie, vlakke schijf. In 1676 ontdekte Cassini
echter een opening of scheiding middenin de ring van Saturnus, zodat de
planeet dus eigenlijk twee ringen heeft met een gat ertussen. Verdere
waarnemingen brachten nog meer zo'n scheidingen aan het licht. Bij de
andere planeten, waar de ringen zeer dun zijn en de scheidingen heel
breed, valt het nog meer op dat het zeker niet gaat om schijven maar wel
degelijk om ringen. Die opdeling en scheiding gebeurt onder invloed van
maantjes.
Onderzoek heeft aangetoond dat de deeltjes aan de binnenrand van de
scheiding van Cassini een gekoppelde rotatie hebben van 1:2 met het
maantje Mimas. Aan de buitenrand
heerst een 7:6 koppeling met de
dubbelmaantjes Janus en
Epimetheus.
Bij de andere planeten, waar de ringen veel smaller zijn, spreekt men
van herdermaantjes.
Deze maantjes zorgen ervoor dat de smalle ringen
niet uiteenspreiden tot een flinterdunne schijf. De herdermaantjes die
we nu kennen zijn enkele tientallen kilometers groot. Wellicht zijn er
nog talloze andere mini-satellietjes die de ringen bevolken, en met hun
materiaal voortdurend het ringstelsel vernieuwen. Deze mini-maantjes
worden mooms genoemd.

De Saturnusmaantjes Prometheus en Pandora zijn herdermaantjes van de
F-ring. [Foto: JPL]
Doordat de maantjes niet altijd perfect in het Laplace-vlak liggen,
zorgt hun aantrekkingskracht ook voor een spiraalvormig golfeffect,
waarbij ze de stofdeeltjes bij elke dichte nadering een beetje uit het
Laplace-vlak trekken. De deeltjes nemen daarna opnieuw hun plaats in.
| | |
Breedte | |
Dikte | |
Albedo | |
Grootte deeltjes | |
Totale massa | |
| Jupiter | |
7 000 km | |
< 30 km | |
< 0,05 | |
10-3 mm | |
1011 à 1016 kg | |
| Saturnus | |
20 000 km | |
0,01 à 0,1 km | |
0,2 à 0,8 | |
1 cm à 5 m | |
1021 à 1022 kg | |
| Uranus | |
100 km | |
0,01 à 0,1 km | |
0,015 | |
10 cm à 10 m | |
1018 à 1019 kg | |
| Neptunus | |
< 50 km | |
30 km | |
0,030 | |
1 cm à 1 m ? | |
? | |
De ringen van de gasreuzen.
Al bij al blijft het dynamisme dat de structuur van de ringen veroorzaakt nog
onduidelijk. De ontdekking van nieuwe maantjes kan misschien een
aantal problemen oplossen, maar wellicht zullen nieuwe theorieën
ontwikkeld moeten worden.
Wanneer de Cassini-sonde in 2004 aankomt bij Saturnus zullen we
zeker veel bijleren over zijn ringen, en daarmee ook over de andere
planetaire ringstelsels. Maar ongetwijfeld zullen de nieuwe
inzichten ook veel nieuwe vragen oproepen.
De ringen van Jupiter
Ontdekking
Een eerste aanwijzing dat Jupiter een
ringenstelsel had, kwam in 1974
van het ruimtetuig Pioneer 11. Op een bepaald moment gaf het instrument
dat het aantal hoogenergetische deeltjes mat, een plotse daling aan.
Sommige wetenschappers leidden daaruit af dat de Pioneer 11 een
onbekende ring had gepasseerd, die de deeltjes tegenhield. Weinig
wetenschappers geloofden dit echter, tot Voyager 1 in 1979 fotografisch
bewijs leverde. Voyager 2 bestudeerde de ringen iets nauwgezetter, en
Galileo kon in 1996-1997 uitgebreide metingen uitvoeren.

De ring van Jupiter, in tegenlicht. [Foto: JPL]
Eigenschappen
Het ringenstelsel van Jupiter bestaat uit drie zones. De hoofdzone
strekt zich uit van 1,72 tot 1,81 Jupiterstralen, en is
7 000 km breed en 30 km
dik. De buitengrens is vrij scherp, de binnengrens vager. Zelfs op dit
dikste deel van de ring is deze zeer zwak. De maantjes Adrastea en Metis
zitten in deze ring.

De drie ringen van Jupiter. [Foto's: JPL]
Rond de ring ligt een grote halo van zo'n 20 000 km dik. De eigenlijke
'ring' wordt dus nog eens omgeven door een ijle torus.
Buiten deze hoofdring ligt een tweede, nog veel zwakkere ring, die zeer
langzaam vervaagt tot hij op 3,1 Jupiterstralen opgaat in het interplanetaire
medium. De maantjes Amalthea en Thebe bevinden zich in deze ring, en zijn
wellicht de bron van het materiaal in deze zwakke buitenring.
De binnenring van Jupiter bestaat uit zeer kleine stofdeeltjes, 1 tot 2
micron groot. Dergelijke stofdeeltjes eroderen op een periode van
1 000
jaar gemakkelijk weg, wat aangeeft dat de ring van Jupiter erg jong is,
en dus ofwel voortdurend ververst wordt, ofwel slechts tijdelijk
bestaat. Wellicht is het stof grotendeels afkomstig van de maantjes
Adrastea en Metis, die gebombardeerd worden door micrometeorieten en
materiaal afkomstig van Io.
Het magnetische veld van Jupiter creëert een voortdurende
elektromagnetische kracht, de Lorentz-kracht, die de deeltjes vanuit het
binnenste van de hoofdring wegduwt naar een grotere inclinatie, waar ze
in de torusvormige halo terechtkomen. In die halo worden de stofdeeltjes
verder fijngemalen, tot ze op 0,03 micron bijna geen invloed meer
ondervinden van de aantrekkingskracht. Enkel de magnetische kracht werkt
dan nog op hen in, zodat ze via de magnetische veldlijnen uit de halo
worden weggeslingerd en op de polen van de planeet terechtkomen.
De studie van het ringenstelsel van Jupiter heeft duidelijk gemaakt dat
dergelijke stelsels erg jong zijn en sterk afhankelijk van voortdurende
verversing door kleine maantjes en mooms.
De ringen van Saturnus
De verschillende ringen
De ringen van Saturnus zijn de meest
massieve van alle ringenstelsels in
ons zonnestelsel, en de enige die in een kleine telescoop al duidelijk
te zien zijn. Er zijn zeven zones te onderscheiden, maar uit foto's
blijkt dat de dikste ringen elk nog eens zijn onderverdeeld in talloze
zeer fijne ringen.
De dikste ringen zijn A en B, van elkaar gescheiden door de scheiding
van Cassini (ontdekt in 1675), waarbij de binnenste B-ring de dikste en
breedste van de beide is. In 1850 werd nog een zwakke C-ring ontdekt binnen
B. Voyager 1 vond binnenin C nog een D-ring, onzichtbaar vanop aarde,
die tot halfweg de planeet reikt.

De A, B, C, D en F-ring van Saturnus. [Foto: JPL]
Buiten het zichtbare systeem ligt de zeer zwakke E-ring, eigenlijk niet
meer dan een samenhoping van stof in het baanvlak van de planeet. Deze
E-ring strekt zich uit tot aan de baan van Rhea, en wordt naar het einde
toe 30 000 km dik. De stofdeeltjes van deze ring zijn enkele micron
groot en erg onstabiel, wat wil zeggen dat deze ring voortdurend
vernieuwd wordt door materiaal van het nabije maantje Enceladus.
Links een detail van de F-ring, rechts de G- en E-ring,
in zijaanzicht waargenomen door de Hubble Space Telescope, waarbij Saturnus
zelf links buiten beeld staat. [Foto's: JPL, STScI]
Een zesde ring, de F-ring, werd ontdekt door Pioneer. Deze zeer dunne
ring ligt vlak tegen de buitengrens van de A-ring. Deze F-ring heeft als
herdermaantjes Pandora, Prometheus en Atlas. De F-ring blijkt geen
gewone ring te zijn, maar te bestaan uit een aantal zeer dunne ringetjes
die langs elkaar heen slingeren onder invloed van de herdermaantjes.
Tenslotte ontdekte Voyager nog een vrij smalle G-ring tussen de F- en
E-ring, die sterk op deze laatste gelijkt maar nog ijler is.
Samenstelling
De A- en B-ringen zijn wellicht niet veel dikker dan enkele tientallen
meters, wat opmerkelijk vlak is voor zo'n grote structuur. De F-ring
ligt enkele graden geïnclineerd ten opzichte van de andere ringen. Het
Laplace-vlak waarin de ring ligt is mogelijk lichtjes gebogen: wanneer
de schijf van opzij kan worden waargenomen, is er een verschil van
50' tussen de dunste nadering aan beide zijden.
Door middel van infrarood spectrometrie konden wetenschappers
vaststellen dat de ringen van Saturnus bestaan uit ijsdeeltjes. Die
ijsdeeltjes zijn wellicht 1 tot 2 cm groot, mogelijk zelfs 5 cm.
Daartussen zweven enkele grote brokstukken van 5 tot 10 m. Wellicht is
er ook een grote hoeveelheid stofdeeltjes, voortdurend ververst door
botsingen en inslagen van micrometeorieten. Daarnaast zijn er wellicht
ook grotere mini-maantjes van een honderdtal meter tot enkele kilometer groot,
zoals het maantje Pan dat de scheiding van Encke verklaart.
Duizenden kleine ringetjes
De foto's die de Voyager-sondes van de ringen van Saturnus maakten,
toonden vrij onverwacht dat de A-, B- en C-ringen elk bestaan uit
duizenden kleine ringetjes, vaak niet meer dan 10 m breed. Ook de
scheidingen zijn niet leeg, maar bevatten honderden ringetjes die ver
uit elkaar liggen.
Links: de duizenden kleine ringetjes die de ringen van Saturnus vormen
(valse kleuren). Rechts: De scheidingen in de ringen van Saturnus. [Foto's: JPL]
Deze structuur lijkt in tegenspraak te zijn met de theoretische
modellen, die allemaal aangeven dat de deeltjes in een ringenstelsel
zich gelijkmatig verspreiden, waarbij een schijfstructuur ontstaat. Een
mogelijke verklaring is de aanwezigheid van mini-maantjes die deze
gelijke spreiding tegengaat.
In het ringenstelsel zijn een aantal grote gaten te zien: de scheiding
van Cassini (tussen A en B), van Encke (aan de buitenkant van A) en
Keeler (een zeer dunne scheiding, eveneens aan de buitenkant van A) en
van Maxwell (in de C-ring). Een aantal daarvan zijn te verklaren door
resonanties met satellieten of door herdermaantjes, zoals bijvoorbeeld
de mini-maan Pan die in de Encke-scheiding werd ontdekt. Sommige
wetenschappers vermoeden dat een aantal van deze mini-maantjes in feite
geen steenklompen zijn, maar tijdelijke samenhopingen van materiaal.
Spaken
Een van de meest mysterieuze eigenschappen van het ringenstelsel van
Saturnus zijn de spaken: tijdelijke donkere structuren die zich dwars op
de B-ring voordoen, en die lijken op de spaken van een fietswiel. Ze
bestaan uit microscopische deeltjes, en draaien met het magnetisch veld
van Saturnus mee. Mogelijk zijn het dus minuscule deeltjes die elektrisch
geladen worden en tijdelijk uit het baanvlak van de ringen komen, om
daarna weer hun plaats in te nemen.
Spaakstructuren in de Saturnusringen. [Foto: JPL]
De ringen van Uranus
De ringen van Uranus werden in 1977 opgemerkt, toen wetenschappers een
sterbedekking door de
planeet waarnamen. De ster knipperde daarbij een
aantal keer, alvorens volledig achter de schijf van de planeet te
verdwijnen. Zo werden 9 verschillende, smalle ringen ontdekt.
Voyager 2
ontdekte nog twee zeer zwakke ringen, waardoor het totaal op 11 komt.
Door verdere sterbedekkingen te observeren, kwamen wetenschappers
erachter dat de ringen quasi-cirkelvormig zijn, 250 000 km in doormeter
beslaan en elk slechts 10 km breed zijn. De buitenste epsilon-ring is met
100 km de breedste.
De verschillende waarnemingen toonden ook aan dat de ringen niet erg
stabiel zijn. Verschillende ringen zijn lichtjes excentrisch, hebben een
variabele dikte of pulseren. Eén van hen lijkt zelfs te 'ademen' waarbij
hij lichtjes uitzet en weer inkrimpt. De epsilon-ring is de meest
excentrische: zijn afstand tot de planeet bij het dichtste en verste punt
verschilt 800 km, waarbij de dikte van 20 km op het dichtste tot 100 km
op het verste punt van Uranus varieert.
De ringen van Uranus hebben zeer scherpe grenzen, wat vermoedelijk
verklaard wordt door het feit dat ze allen door kleine herdermaantjes
worden beheerst. Sommige van die maantjes zijn nog niet gedetecteerd, en
zijn wellicht niet groter dan enkele kilometers. De buitenste, dikke
epsilon-ring heeft Ophelia en Cordelia als herdermaantjes.
De epsilon-ring van Uranus: links de twee herdermaantjes Ophelia en
Cordelia, rechts een detail van de structuur van de epsilon-ring. [Foto's:
JPL]
De 9 ringen die vanop aarde werden ontdekt bestaan volgens fotografische
en
radiowaarnemingen voornamelijk uit steenbrokken van enkele meters groot,
met nauwelijks enig stof. De steenbrokken zijn heel erg donker,
vermoedelijk omdat ze zijn bedekt met een laag organische molecules.
Voyager 2 ontdekte dat de hele ruimte tussen de ringen gevuld is met een
zeer fijn stof, dat talloze kleine ringetjes vormt die nauwelijks
zichtbaar zijn. Deze stofringen worden waarschijnlijk, net zoals die van
Jupiter, voortdurend ververst door materiaal afkomstig van grotere
objecten, wellicht mini-maantjes die nog niet gedetecteerd zijn en die
tevens verantwoordelijk zijn voor de ringvormigheid van de stofbanen.
De ringen en ringbogen van Neptunus
Na de ontdekking van de ringen rond Jupiter en Uranus, gingen
wetenschappers ook op zoek naar een mogelijk ringenstelsel rond
Neptunus. Ondanks verwoede pogingen in het begin van de jaren '80, was
het pas in 1984 dat de eerste sporen van ringen werden gedetecteerd. Het
feit dat deze ringen bij sterbedekkingen soms wel en soms niet te zien waren, werd verklaard
door de theorie dat ze niet volledig waren: het zou eerder gaan om bogen
dan om echte gesloten ringen.
De foto's die Voyager in 1989 doorstuurde, bevestigden maar nuanceerden
die theorie. Neptunus heeft wel degelijk een stelsel van vijf volledige
ringen, maar de scherpste buitenste ring, die Adams werd genoemd, bevat
drie (of mogelijk vijf) verdikkingen: de bogen die vanop aarde waren
gedetecteerd. Deze bogen werden Liberté, Egalité en Fraternité genoemd.
Ze liggen allen in een gebied dat 40° omspant.
 
De ringen van Neptunus, in tegenlicht. [Foto's: JPL]
De ringen van Neptunus zijn op te delen in twee groepen: LeVerrier en
Adams zijn smal en scherp begrensd, Galle, Lassell en Arago zijn breed
en zwak. Een zesde ring is niet volledig en ligt net binnen de
Adams-ring, op de baan van het maantje
Galatea.
De ringen van Neptunus bestaan uit fijn stof. Net zoals bij Jupiter en
Uranus is dat stof wellicht afkomstig van kleine maantjes, die de ringen
voortdurend verversen. In de hele magnetosfeer van Neptunus is trouwens
veel stof te vinden, mogelijk verspreid doordat het magnetisch veld
zoveel afwijkt van de ecliptica, of door de excentrische baan van de
grote maan Triton.
De ringbogen worden wellicht veroorzaakt door een gekoppelde rotatie van
42:43 met de maan Galatea, die op 1 000 km binnen de Adams-ring zweeft.
De baan van Galatea heeft een inclinatie van 0,03° ten opzichte van het
vlak van de ringen. Dat zorgt voor een mogelijke groepering van
stofdeeltjes op kortere gebieden die telkens 4° uit elkaar liggen. De
ringbogen zelf liggen telkens ongeveer 12° uit elkaar: niet elk gebied
dat in aanmerking komt voor boogvorming is dus met stof gevuld. Het
blijft voorlopig een raadsel waarom de ringbogen niet over de gehele
Adams-ring verspreid zijn.
Verwante links
|