| |
In de binnenste regionen van ons zonnestelsel vinden we vijf objecten
die tot dezelfde familie behoren: de aardachtige planeten, ook
wel terrestrische planeten genoemd. Het zijn
Mercurius,
Venus,
de aarde,
de maan,
en Mars.
Het zijn allemaal vaste lichamen met een steenachtig
oppervlak. Deze planeten ontstonden te dicht
bij de zon om veel
vluchtige materialen zoals water of gassen vast te houden.
Hoewel deze hemellichamen tot dezelfde familie behoren, hebben ze
allemaal nog erg uiteenlopende karakteristieken. Daarover hebben we het
in de afzonderlijke pagina's. Eerst zullen we een aantal meer algemene
aspecten bespreken: de samenstelling, het
oppervlak en de atmosfeer.
De binnenkant van de aardachtige planeten
De vijf aardachtige objecten in het binnenste deel van het zonnestelsel
zijn opgebouwd uit de zwaarste materialen die in het jonge zonnestelsel
rond de zon draaiden: metaal en steen. Over het algemeen ziet de
structuur van deze planeten er dan ook redelijk eenvoudig uit: een
metalen kern met daarrond een stenen mantel. Daarbovenop ligt de korst,
de eigenlijke oppervlakte, die zowat van alles kan bevatten: steen en
metaal van de planeet, door middel van
vulkanisme aan de oppervlakte
gebracht, gassen ontsnapt uit gesteenten, water en ijs, ...
Mercurius heeft een opvallend grote metaalkern.
Daardoor heeft ze ook een grote massadichtheid, en dus
een grotere zwaartekracht dan men op basis van de
grootte zou verwachten. Ook heeft Mercurius hierdoor een relatief sterk
magnetisch veld. Het was William Benz die in 1987 de meest
waarschijnlijke verklaring formuleerde voor de grote kern van Mercurius:
volgens Benz is de planeet in het begin van haar bestaan met een andere
protoplaneet gebotst, die ongeveer half zo groot was. Bij die botsing
werd een nieuwe planeet gevormd uit de metalen kern van de beide
protoplaneten, maar de stenen mantel werd door de nabije zon
aangetrokken, waarbij ongeveer 30 % van het materiaal van de planeet
verloren ging.
Venus en de aarde
hebben een kern die ongeveer de helft van hun diameter
bedraagt. Ook in andere opzichten lijken de twee planeten geologisch
gesproken op elkaar: ze hebben allebei vulkanisme, wat wijst op een
vloeibare mantel.
Binnenin die vloeibare mantel hebben de beide planeten een ijzeren
kern. Die is bij Venus waarschijnlijk vast, en bij de aarde vloeibaar: de aarde
heeft een sterk magnetisch veld, wat wijst op
een kern van vloeibaar metaal.
Door het dynamo-effect ontstaat in een ronddraaiende
geleidende vloeistof namelijk magnetisme. Vermoedelijk heeft de aarde
binnenin die vloeibare kern ook nog een vaste kern, die net iets sneller
ronddraait dan de rest van de planeet. Dat verklaart waarom de
magnetische
pool van de aarde niet helemaal stabiel is: deze slingert langzaam.
De maan heeft waarschijnlijk een erg kleine ijzerkern,
een heel uitgebreide steenmantel met daarrond een erg dunne korst. Men vermoedt
dat tijdens het kosmisch bombardement de
maankorst voor een groot deel is verbrokkeld door inslaande meteoren, waardoor
ze nu bestaat uit een eenvormige laag vermalen maanbodem, vermengd met stof van meteoren.
Dat de maan geen metaalkern heeft is een aanwijzing dat ze misschien is gevormd uit
materiaal dat van de aarde afkomstig is: zoals bij Mercurius zou er een
protoplaneet op de jonge aarde gebotst zijn, waarbij het losgekomen
materiaal van de mantel niet wegdreef maar in een baan rond de aarde
bleef hangen en geleidelijk samenklonterde en de maan ging vormen.
Mars tenslotte heeft net zoals Venus en de aarde een grote stenen mantel
en een metaalkern die ongeveer de helft van de diameter van de planeet
in beslag neemt. Het magnetisch veld van Mars is zeer zwak maar moet
vroeger sterker geweest zijn. Dat wijst erop dat de mantel vroeger, net
zoals nu nog bij de aarde, vloeibaar was, maar in de loop van de tijd
gestold is. Ook het bestaan van uitgedoofde vulkanen op Mars is een
aanwijzing in die richting.
|
Magnetisch veld van planeten
|
|
|
Het magnetisch veld van planeten wordt veroorzaakt door het zogenaamde
dynamo-effect. Dat effect ontstaat wanneer een gesmolten planeetkern van
materiaal dat elektriciteit kan geleiden ronddraait en convectiestromen
vertoont. Bij de aardachtige planeten en de grotere manen is dat
geleidend materiaal gesmolten gesteente met ijzer, bij Jupiter en
Saturnus gaat het om waterstof dat onder grote druk geleidend is
geworden, en bij Uranus en Neptunus is het een mengeling van water,
ammoniak en methaan.
De afwezigheid van een magnetisch veld kan dus een aanwijzing zijn voor
het bepalen van het inwendige van een hemellichaam. De maan heeft
bijvoorbeeld helemaal geen magnetisch veld, waaruit we kunnen afleiden
dat ze geen gesmolten kern heeft. Mercurius, Venus en Mars hebben een
erg zwak magnetisch veld, ongeveer duizend keer zo zwak als dat van de
aarde. Het magnetisch veld van Jupiter is dan weer 20 000 keer zo sterk
als dat van de aarde.
Er is nog veel van magnetische velden dat we niet begrijpen, of niet
weten. Hoe komt het bijvoorbeeld dat de magnetische noordpool en de
geografische noordpool bijna nooit overeenkomen? Bij de aarde is het
verschil 10°, bij Jupiter 9° en bij Mercurius 14°. Bij Saturnus liggen
ze wel op dezelfde plaats. Bij Uranus bedraagt het verschil bijna 60° en
bij Neptunus is het 47°.
Geologen hebben ontdekt dat het magnetisch veld van de aarde zich al een
aantal keer heeft omgedraaid, waarbij noord- en zuidpool van plaats
verwisselden. Dit noemt men de ompoling. Hoe dit komt weten we niet.
Evenmin weten we wanneer het nog eens zal gebeuren ...
|
|
|
|
Het oppervlak van de aardachtige planeten
Het oppervlak van de aardachtige planeten is zeer divers, en wordt
uitgebreid besproken op de verschillende bladzijden van de planeten zelf.
Toch zijn er enkele belangrijke processen die op bijna alle planeten in
min of meerdere mate werkzaam zijn.
Meteoorinslagen
In de eerste plaats zijn er de meteoorinslagen. De oppervlakken van de
maan,
Mars en Mercurius zijn bedekt met inslagkraters, en ook op de aarde en
Venus
zijn er sporen van inslagkraters gevonden. De meeste van deze kraters werden
gevormd tijdens de periode van het kosmische
bombardement, tussen de 3,8 en
3,5 miljard jaar geleden, maar ook daarvoor en daarna zijn er natuurlijk nog
grote en kleine inslagen geweest.
De zwaarste van deze kraterinslagen hadden ook een aantal neveneffecten:
wanneer ze de korst diep genoeg openscheurden, en de mantel van de getroffen
planeet nog voldoende vloeibaar was, kon gesmolten materiaal door de scheuren
in de korst terug naar boven vloeien. Zo ontstonden bijvoorbeeld de zeeën
op de maan.
Een andere mogelijkheid was dat de inslag zo zwaar was dat hij de korst van
de planeet op verschillende plaatsen verkreukelde. Een aantal inslagkraters op
de maan en Mercurius vertonen concentrische ringenstelsels rondom het eigenlijke
inslagbekken, en de allerzwaarste inslagen veroorzaakten ook rimpels op de
achterkant van de planeet waar de schokgolven weer samenkwamen, zoals bijvoorbeeld
het Calorisbekken op Mercurius.
Tektonische activiteit
Buiten de inslagactiviteit, die van buitenaf komt, is er ook nog de
thermische en tektonische activiteit, die vanuit de planeet zelf komt.
Deze is vooral actief op de aarde,
Venus en Mars. Deze drie grootste
terrestrische planeten koelden minder snel af en behielden dus langer
een vloeibare mantel. Bij alle drie deze planeten werd en wordt materiaal
uit deze mantel regelmatig op het oppervlak gebracht door vulkanen en
vulkanische ruggen.
Tenslotte zorgt een vloeibare mantel in het geval van de aarde ook
voor platentektoniek: de korst van de aarde is verdeeld in verschillende
schollen of platen, die door de convectiestromen in de mantel ronddrijven.
De aarde is voorlopig de enige planeet waar een dergelijke activiteit
met zekerheid is aangetoond.
De atmosfeer van de aardachtige planeten
Drie van de vijf objecten die in de categorie van de aardachtige
planeten thuishoren hebben een echte atmosfeer: Venus, de
aarde en Mars.
Mercurius en de maan
hebben enkel een zeer dunne en onstabiele
dampkring van natrium. Deze objecten zijn erg klein en hebben daardoor maar
weinig aantrekkingskracht. Bovendien staat Mercurius zo dicht bij de zon dat
een zich vormende atmosfeer gewoon wordt weggeblazen door de zonnewind.
De atmosfeer van de aarde kennen we natuurlijk het beste: dag in dag uit
leven we in deze "oceaan van lucht". Ze veroorzaakt het
klimaat en het weer, beschermt ons
tegen de onherbergzame omstandigheden
van de interplanetaire ruimte, en zorgt dat we kunnen ademen. Het
leven op aarde is ervan afhankelijk. De atmosfeer van de aarde bestaat
voornamelijk uit stikstof (N2) en zuurstof (O2), met verder sporen van
water (H2O), argon (Ar) en koolzuurgas (CO2). Dit
is opvallend verschillend van de samenstelling van de atmosfeer van
Venus en Mars, en is een
rechtstreeks gevolg van de aanwezigheid van leven op onze planeet.
| N2 | O2 | H2O | Ar | CO2 | Luchtdruk |
| Venus | 3,5 % | 0 % | 0,01 % | 0,007 % |
96 % | 92 atm |
| aarde | 77 % | 21 % | 1 % | 0,93 % | 0,035 % | 1 atm |
| Mars | 2,7 % | 0 % | 0,006 % | 1,6 % | 95 % | 0,006 atm |
De atmosfeer van Venus is honderd keer zo zwaar als die van de aarde:
een mens zou er door de "luchtdruk" gewoon platgedrukt
worden. Het voornaamste bestanddeel van de Venusatmosfeer is CO2, een
gas dat ondermeer verantwoordelijk is voor het broeikaseffect. De gevolgen van
dat broeikaseffect kunnen we duidelijk
zien op Venus: de temperatuur bedraagt er gemiddeld ongeveer 350 °C,
terwijl men op haar plaats in het zonnestelsel eerder 100 °C zou
verwachten. Door de CO2 in de atmosfeer kan de warmte die van de zon
komt echter niet terug naar de ruimte ontsnappen, zodat de planeet als
een serre wordt opgewarmd.
Toch verschilt de hoeveelheid CO2 op Venus niet zoveel van de
hoeveelheid die we op de aarde kunnen aantreffen. Het verschil ligt
hierin, dat het koolzuurgas op aarde niet in de atmosfeer maar in
oceanen en gesteenten is terug te vinden. Kalksteen zoals de rots van
Gibraltar en de witte kliffen aan de Engelse kust zijn voorbeelden van
gesteente dat rijk is aan CO2. Ook het natuurlijk sprankelend bronwater
dat in onze streken uit de bodem gewonnen wordt bevat CO2.
Biologische processen zorgen voor de omzetting van CO2 in O2,
een stof die niet voorkomt in de atmosfeer van de andere aardachtige planeten.
Op Mars is de situatie helemaal anders: hier is de atmosfeer zeer ijl,
honderd keer zo dun als die van de aarde. Marsreizigers die zonder
beschermend ruimtepak op de planeet zouden gaan rondwandelen, riskeren
uiteen te spatten door de onderdruk! Dat Mars zo'n dunne atmosfeer
heeft, komt
vermoedelijk doordat de planeet zo klein is, en dus niet genoeg
zwaartekracht heeft om gassen efficiënt vast te houden.
Net als op Venus bestaat de Marsatmosfeer voor een groot deel uit
CO2,
maar het is zo koud op Mars dat dit koolzuurgas in de winter en 's
nachts aanvriest en koolzuursneeuw ("droog ijs") vormt. Als het dan
weer warmer wordt, verdampt dit ijs zonder vloeibaar te worden. Op Mars
kan je dan ook met een kleine telescoop al duidelijk witte poolkappen
onderscheiden! Met een grotere telescoop kan je zelfs de ochtendnevel
waarnemen, veroorzaakt door verdampende rijmplekken die 's nachts zijn
ontstaan.

Wolken rond een aantal grote vulkanen op Mars. Deze ontstaan wanneer
warme lucht afkoelt bij het stijgen langs de vulkaanflanken, en het
water in die lucht hierdoor kristalliseert. [Foto: JPL]
Zoals gezegd zorgt een atmosfeer ook voor weer en wind: op aarde maken
we dit dikwijls genoeg mee. Op elk moment is ongeveer 40 % van het
aardoppervlak door wolken bedekt.
We mogen echter nog van geluk spreken: op
Venus is het wolkendek zo dicht dat de bewolking er 100 % bedraagt! Het
is dus onmogelijk om vanuit de ruimte het oppervlak van de planeet te zien,
tenzij je radartechnieken gebruikt die door de wolken heen kunnen
kijken. De atmosfeer van Mars is dan weer erg doorzichtig, maar wordt af
en toe geplaagd door immense stofstormen die wekenlang kunnen aanhouden
en de hele planeet dan met een gele sluier bedekken.
Verwante links
|